School

Van ongeregeldheden in Belfast en de taptoe in Delft

‘Zelden bracht zo weinig humor zoveel onbegrip teweeg bij zoveel toeschouwers.’ Treffender dan aldus, zeer vrij naar Winston S. Churchill, kan ik wat hierna volgt niet samenvatten. Ik besef dat de gevatte woorden van dankbaarheid uit de mond van de knorrige Britse staatsman destijds onder nijpender omstandigheden werden geuit dan ooit in het gezapige Erasmiaans Gymnasium aan de orde waren geweest, aan het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Nu zijn ze evenwel geheel op hun plaats, al was het maar omdat wat zich in leslokalen afspeelt niet zelden in termen van oorlogshandelingen wordt beschreven. Trouwens, qua heroïek deed de hieronder beschreven ‘show’ nauwelijks onder voor de Battle of Britain, althans in de ogen van hoofdrolspelers Ivan, Frank en Jan-Joost.

De spreekbeurt Nederlands genaamd ‘Blindenjournaal’, geschreven, geproduceerd en ten tonele gevoerd door deze drie uitgelaten jongelieden, is iedereen allang vergeten. Volgens objectieve maatstaven waarschijnlijk terecht. De staat van continue verwarring die de puberteit met zich meebrengt levert nu eenmaal zelden iets waardevols op. Ik vergeet deze show echter nooit. Doordeweeks reeds schudden wij de idiosyncratische spitsvondigheden uit onze mouw alsof het een kwestie van ademhalen betrof; deze specifieke opvoering echter, die het begrip ‘spreekbeurt’ naar ongekende afmetingen uitrekte, was in meerdere opzichten een waterscheiding. Dat de eindscore voor alle drie een 7 bedroeg was wel van het minste belang.

Hoe het kwam dat de geplaagde invalleraar Nederlands, de heer Van Dijk – jong en onervaren, aan één stuk door onbarmhartig getreiterd door de fine fleur uit Kralingen en Hillegersberg – het de klas toestond in groepjes de verplichte spreekbeurt te houden anders dan als individu, is in de mist van de tijd weggegleden. Misschien tijdnood. De consequenties niet goed overzien. Met zijn gedachten al bij een volgende aanstelling, op een andere school vol kwelgeesten. Wellicht waren zelfs plotseling verlichte lesmethoden tot hem gekomen, zoals in die periode aan de orde van de dag was.

In 1970 regeerden vrijheid en blijheid immers: het leven was er niet langer, zoals in de voorgaande eeuwen, om de jou tot aan het graf toegewezen sociaalmaatschappelijke plaats te laten innemen, liefst zonder al te veel gemor en met een respectvolle houding jegens de boven jou gestelde. Nee, het bestaan stond wagenwijd open om jezelf te ontdekken, samen met of desnoods ten koste van anderen. Je kon elke rol aannemen waartoe jouw (op welke wijze dan ook) verruimde geest je in staat stelde. Ook in de klas! Kort gezegd, ga je gang, niemand houdt je tegen; zolang het nieuw is, is het goed. Dat was zo’n beetje de gedachtegang.

Alle standaards sneuvelden, het experiment was de nieuwe norm. Vastgeroeste gewoonten, vooral inzake het respect voor de knevelende autoriteit en verstikkende conventie, gingen in rook op. Wie was hier nu eigenlijk de baas? Het antwoord was natuurlijk: niemand, iedereen was de baas over zijn eigen ik. Totale waanzin regeerde hier en daar in het land, dankzij een gratis en universeel toegangsbewijs tot een duizelingwekkende exploratietrip langs de grenzen van de geest. Dus óók in het Erasmiaans.

Dat was in een notendop de tijdgeest die de beklagenswaardige Van Dijk aantrof – bleekneuzig, bebrild, in grijs wandelkostuum gehuld, de suggestie van een vlassig snorretje, een relikwie uit de jaren vijftig. Hij leek die tijdgeest ogenschijnlijk halfhartig omarmd te hebben, uit een soort instinctief lijfsbehoud. Ja, je moest wát als docent. Dat uitte zich in een soort wanorde die moest doorgaan voor anti-klassikaal, waarin het ‘eksperiment’ regeerde, op het randje van anarchie. Vooral bij leraren als de onzekere Van Dijk. Voor de neerlandicus resulteerde een en ander trouwens in een extreem korte carrière binnen de heilige muren, maar dat doet nu niet ter zake.

Schoolsituatie

‘Modern-progressief als wij voordeden te zijn…’ Rechts Ivan Baas, de auteur en Frank Treurniet, gadegeslagen door v.l.n.r. Jenneke Avis, Loes van der Ploeg, Mary Westerduin, Maja Schippers en Zsoka Bonta. Foto: Misha Jacobs

Modern-progressief als wij voordeden te zijn stelden Ivan Baas, Frank Treurniet en ik de docent Nederlands voor om de spreekbeurt gedrieën – als een soort collectief proces – te berde te brengen, onder de overkoepelende titel ‘Blindenjournaal’. Dat leek ons wel een vernieuwend grapje van voldoende meligheid, en gezien het feit dat het op de nationale televisie vertoonde ‘journaal voor doven en slechthorenden’ pas in 1979 zijn debuut zag, eentje met geen geringe vooruitziende blik.

Van Dijk moet tevens bij zichzelf gedacht hebben dat de samengebalde vorm een goedkope kans bood om de ondraaglijk saaie individuele voordrachten van drie warrige pubers in de klas te omzeilen. Tegelijk was het misschien een aardige didactische nouveauté. Wie weet wat er in ′s mans hoofd omging? Hij stemde toe.

Stellage

Op het afgesproken tijdstip plaatsten de heren vóór het schoolbord twee aan twee lessenaars bovenop elkaar en bonden er een doek voor met behulp van wasknijpers. Daarna namen twee van hen op stoelen achter de stellage plaats. (Aan alles was gedacht!) Nummer drie nam terstond de rol van presentator op zich en kondigde de klas aan dat zij getuige zou zijn van het allereerste tv-journaal voor blinden. Er zou voor de eerste reportage direct (live!) worden overgeschakeld naar Belfast, waar voor de zoveelste keer ernstige ongeregeldheden waren uitgebroken tussen Ierse nationalisten en Unionisten, oftewel katholieken en protestanten. (Actueel waren we in elk geval.) Over naar Noord-Ierland, hoe is de situatie daar?

Dat was de cue voor de heren achter het doek om het angstaanjagende geluid van ontploffende bommen en herladende karabijnen na te bootsen, alsmede het gejoel van uitzinnige menigten en een nauwelijks verstaanbare verslaggever die een poging deed de grimmige sfeer ter plekke te beschrijven. Een sterk staaltje, met al dat rondvliegend kokend lood. Het leek Johnnie de Selfkicker wel tijdens het Boekenbal. Of een wild gedicht van Paul van Ostaijen.

Voor zover de herinnering reikt – we hebben het over bijna een halve eeuw geleden – had het trio vanuit oogpunt van experimenteerdrang slechts een rudimentair script tussen de oren, dat ook nog leed onder ongeregelde repetities en constant schaven aan de uiteindelijk uit te spreken tekst. Gelukkig schakelde het journaal vrij snel na de gewelddadigheden te Belfast over naar een luchtiger onderwerp, een verslag van de taptoe in Delft, ditmaal voor de visueel gehandicapte kijker geloofwaardig muzikaal verfraaid door Ivan Baas. Hij speelde voor zijn leeftijd een aardig deuntje trompet dus dat kwam goed uit.

Proto-provo’s

Luchtig? De taptoe in het Olympisch Stadion te Amsterdam, in juli 1963, was toneel geweest van – bij mijn weten – de eerste demonstratie door proto-provo’s tegen het militair-industrieel complex. Een militaire blaaskapel uit Portugal (dictatuur!) op de gastenlijst was de gebeten hond geweest. Door de hoofdstedelijke politie waren rake klappen uitgedeeld jegens de demonstranten. ‘Felle botsingen bij de taptoe. Gewonden moesten lang op bijstand wachten’, zo kopte het Parool. Die matpartij van zeven jaar eerder lag nog vers in het geheugen van de gymnasiastenjeugd. Het waren zo’n beetje de eerste opstandige gebeurtenissen in ons land geweest – op het verzet tijdens de bezetting na – sinds het ‘steunoproer’ in Crooswijk in 1934 dus dat mocht nauwelijks verwondering wekken. Na die ongekende vechtpartij rond de gedenkwaardige taptoe in 1963 zou het immers nog twee decennia lang onrustig blijven in de hoofdstad.

In elk geval, met zijn glimmende blaasinstrument aan de mond marcheerde Ivan door de klas, onderwijl – uiteraard nog steeds onzichtbaar – becommentarieerd door het tweetal achter de ‘tv-suggestie’, beurtelings een kritische beschrijving gevend van paraderende muziekkorpsen uit bevriende Europese naties. Het moet een fraai schouwspel geweest zijn, deze evocatie van de recente geschiedenis.

Helaas, aan dit pandemonium maakte de heer Van Dijk voortijdig een einde, waarschijnlijk meer vanwege de onvoorstelbare herrie die een solotrompettist in een muisstille school maakt en des leraars doodsangst voor conrector Van der Velde, dan op basis van een hem langzaam bekropen onbestendig gevoel. Een traag opgeweld besef dat de voorstelling van de jongelui in het geheel geen spreekbeurt betrof. Nee, zo vatte sluipenderwijs bij Van Dijk post, dit was veeleer een staaltje improvisatietheater, door drie jongelui die te veel naar de Fred Haché Show hadden gekeken. Die zich op deze manier onder de gedegen voorbereiding van een voordracht omtrent J.C. Bloem, Karel ende Elegast of de Modernisten gedurende het Interbellum leken te hebben uit gewurmd.

En nu Van Dijk er eens goed over nadacht leek dat zogenaamde blindenjournaal meer en meer op… een ordinaire radio-uitzending!

Nooit zal ik het moment vergeten waarop Frank Treurniet en ik, na de ‘reactionair-autoritaire’ ingreep van Van Dijk, van achter de stellage tevoorschijn kwamen en oog in oog met de klas stonden. Daar staarden pakweg vijfentwintig gezichten ons aan, geheel blanco, van elke gemoedsuitdrukking ontdaan. Personen bij wie niets van het cabareteske optreden als samenhangend geheel was binnengekomen en die alle meervoudige dubbele bodems hadden gemist. Klasgenoten die door het verstikte geproest achter het met wasknijpers bevestigde tafellaken misschien wel geen woord hadden verstaan van het gebodene. Ik sluit niet uit dat dit de oorzaak was van het feit dat wij eigenlijk niemand hadden horen lachen, behalve onszelf. Doodse stilte.

Op zulke momenten, waarde lezer, worden hechte vriendschappen geboren.

Met z’n tweeën een onverwacht moment van uiterste gêne ondergaan en dat hooghartig het hoofd bieden; dat is zoiets als samen het schuttersputje verlaten zodra het fluitje van de luitenant klinkt. Elkaar nog één knipoog van vertrouwen geven, ten teken van een eeuwige verstandhouding die door niets of niemand verbroken vermag te worden. Tot de dood erop volgt.

Ik ben ervan overtuigd dat het beklinken van een vriendschap tot één moment in de tijd is te herleiden, als een voor altijd bevroren seconde. En wie weet was de voorgeleiding voor het vuurpeloton van die schoolklas wel dat ogenblik. Of een ander, dat ik vergeten ben, dat kan ook.

(Dit stukje verscheen, in iets gewijzigde vorm, in Tolle Belege, alumniblad van het Erasmiaans Gymnasium, met als thema ‘Vriendschap’.)

Advertenties
Standaard
Muziek

Terug tot Peter Hammill (5): A lifetime’s library

Verslag van een opnieuw beluisterde muziekcollectie 1969-2017

Met een nieuwe soloplaat van Peter Hammill in het verschiet — verschijnt waarschijnlijk 12/2017 — hoeft er gelukkig alleen een tijdelijk slotakkoord achter deze serie te worden geplaatst. Deze man(nen)… gewoonweg onnavolgbaar. Long may they run.

VDGG 2016

●○○○○ = nou, nou
●●○○○ = voldoende, met zo nu en dan de FF-knop
●●●○○ = prachtig
●●●●○ = subliem
●●●●● = mag in geen collectie ontbreken; desert island disc


Peter Hammill solo

Consequences (4/2012) ●●●●○

Consequences_Front_Image

Consequences

Muzikaal gezien is Consequences het tegenovergestelde van de Radetzky Mars. Een en ander is zo doordesemd van  somberheid dat ik niet weet naar welke muziek je hierna zou moeten luisteren, behalve dan een andere CD van PH.

Consequences is van ingetogen allure. Ongelofelijk dat iemand dit helemaal in zijn eentje zit te schrijven en componeren en vervolgens de studio induikt om het allemaal te zingen en te spelen, eveneens zonder hulp. Dit lijkt geen passie meer, maar bijna een straf. Heeft iemand dat PH wel eens gevraagd: is dit nog wel leuk?

Naarmate het album vordert wordt het fraaier en fraaier. Rode draad is wederom het ongrijpbare en onbegrijpelijke contact tussen individuen en de rol van taal daarin: wat is waar en wat is echt; dat zijn de vragen die PH van alle kanten belicht, zonder op een antwoord uit te komen. Muzikale textuur en beklemmende atmosfeer, maar vooral de ontplooide rust en contemplatie wijzen vooruit naar …all that might have been… van twee en een half jaar later.

Hoezeer je ook je best doet: meezingen met de muziek is inmiddels volstrekt onmogelijk geworden; maar daarvoor lijkt dit alles dan ook niet gemaakt. Close to Me en Scissors vallen op door hun plastische, ondubbelzinnige verhaallijn. Je gelooft het bijna niet maar Bravest Face is zowaar in een majeur toonsoort geschreven.

Hoogtepunten: Constantly Overheard / Close to Me / Perfect Pose / Scissors / Bravest Face / A Run of Luck


Van der Graaf Generator Fase IVc

Alt (6/2012) ●●●○○
Alt lijkt als twee druppels water op CD2 van Present, zie boven. Bandimprovisaties dus en daarom in mijn ogen minder interessant. En dan zit daar tóch ineens zo’n ongepolijste juweel tussen, dat een muzikaal vervolg lijkt op de out chorus van On the Beach van die CD: Repeat after Me. Verbijsterend prachtig en een nummer dat ik vaak genoeg inderdaad onder de repeatknop zet. Verveelt niet.


Peter Hammill solo

…all that might have been… (11/2014) ●●●●●

All That Might Have Been

…all that might have been…

‘This feels like one of the big achievements of a long career,’ aldus muziekcriticus Richard Williams. ‘Through it all runs Hammill’s unique voice – an instrument of turbulent beauty, richly expressive and filled with existential sorrow,’ zo vult Richard Rees Jones op website The Quietus aan. Critici waren laaiend enthousiast over dit ingewikkelde, veelzijdige product. Een welluidend meesterwerk dat je blijft achtervolgen, zo is mijn ervaring, maar langzaam zijn schoonheid tentoonspreidt: beetje zoals de Japanse toverschelp van vroeger, die zich alleen met eindeloos geduld na onderdompeling in een bakje water dagen later opende en de opgevouwen papieren bloem openbaarde. De muzikale invloeden zijn dan ook her en der sterk Japans getint.

Een man mijmert over de relatie met zijn vrouw, een relatie die in staat van grote turbulentie verkeert. Mogen we het verhaal zó samenvatten? ‘It demands the listener’s attention to make sense of the plot line,’ aldus de recensent op Allmusic en dat is een understatement.

Zo complex als hier heeft PH het niet eerder voor elkaar gekregen. De single CD bevat 21 songs, de versie met 3 CD’s bevat deze eveneens (genoemd ‘Cine’, als ware het een film zonder beeld), naast een CD met 10 ‘Songs’ en een CD ‘Retro’ die bestaat uit 4 verwarrend betitelde delen SixSlowOut, KabukiCloudSome, TenorElseAny en 57WishesUntil: de basistracks zónder zang. Alle muziek op zowel ‘Cine’ als ‘Retro’ vloeit zonder pauzes over. De ‘Songs’ zijn de nummers in hun afgewerkte vorm opgeknipt, die elders aan elkaar geplakt zijn tot een nieuwe compositie. Om het nog ingewikkelder te maken: de vinylversie bevat de songs in nog meer opgeknipte vorm. De titel van de CD, met de puntjes en de onderkast letters, is veelzeggend.

Dit kun je slechts schrijven en zó produceren als je soloartiest bent en je geen enkele commerciële aspiratie hebt. Deze vrije vogel is waarlijk los gezongen van de wereld.

De instrumentatie is voorbeeldig: staande bas, Japanse snaarinstrumenten, arpeggio op de gitaar hier, en dan weer daar… keyboards, blazers. En dan die stem, solo dan wel in eindeloos overdubde achtergrondkoortjes; zo nu en dan op z’n Grieks commentaar leverend, dan weer zich beperkend tot een klagerig ‘ooooooo’. Wie verzint dit? Het is puur en authentiek en honderd procent eerlijk.


Van der Graaf Generator Fase IVd

Merlin Atmos (6/2015) ●●●●○

VDGG Merlin Atmos

Merlin Atmos

Niet alleen veel nummers van A Grounding in Numbers (3/2011) maar een complete staalkaart van de VDGG-catalogus, terug tot midden jaren zeventig, op de CD die de tournee van 2013 samenvat. Het concert op 24 juni 2013 in de Melkweg in Amsterdam was intiem: ik stond er met m’n neus bovenop. Peter Hammill erg getekend door ouderdom, viel me op.

De multi-song Flight van de solo-CD A Black Box (8/1980) wordt hier vakkundig te berde gebracht, maar zonder de bijtende felheid die de versie van de K Band kenmerkte, met bassist Nic Potter en inventieve sologitarist John Ellis, zie The Margin (2/1985). Baspedalen geven nu eenmaal een wat netter en ingetogener muzikaal beeld. De brommende onderstroom en klankbodems uit het Hammondorgel zijn echter ook wat waard. Hugh Banton waarborgt de coherentie binnen de complexiteit van de nummers.

Ook de complete A Plague of Lighthouse-keepers vond in deze tournee zijn plek. Over the Hill mist hier nét het lyrische gegalm dat de studioversie zo kenmerkt en het nummer in mijn all time top-10 van VDGG-nummers bracht. Dat geldt trouwens voor het hele ‘optreden’, samengesteld uit, naar alle waarschijnlijkheid, aan elkaar geplakte fragmenten: de zestigers gedragen zich relatief low key op het toneel, zonder de eens zo kenmerkende VDGG-gekte. Who can blame them.

Verder is het genieten geblazen: Meurglys III en Gog live vormen een ware traktatie. De tracklist is superbe; kon niet beter. Daarom toch vier bolletjes.

Do Not Disturb (9/2016) ●●●●○

VDGG-DND_5

Do Not Disturb

Veel speculatie na deze dertiende VDGG-CD. Is het de laatste? Sommige teksten suggereren het. Anderzijds zit er nog zoveel pit in deze band dat je je het niet kunt voorstellen. Een wereld zonder VDGG! Alsof Frank Zappa indertijd gezegd zou kunnen hebben: weet je wat, ik stop met muziek maken, ik ga vissen. Ondenkbaar.

Een geweldige CD, dit. Grote diversiteit aan muzikale en tekstuele stijlen. Het nostalgische, bijna sentimentele Alfa Berlina staat warempel in 4/4. Het inventieve woordenspel is prachtig.

I’ve got a lifetime’s library of unreliable mementoes
and I could show you one or two
if it’s of interest, it’d be an education
for me to talk you through
how I wore my innocence as some kind of novelty
as if I didn’t know
between the devil and the deep blue sea
lay the fire down below.

Op andere plekken zijn de maatwisselingen en het complexe contrapunt nauwelijks te volgen. En helemaal op het eind, volgt dan Go, in een Largo dat het tempo van een begrafenisstoet benadert, met die breekbare solostem tegen een kerkorgel aan, onder meer zingend:

Time to leave, / close the door.
You can’t believe / you wanted more,
more or less, / all for the best
in the end / it’s all behind you.

Dan kun je mij wegdragen, hoor. Misschien wel omdat dit nu eenmaal de gedachten van een zestiger zijn en die woorden in vruchtbare aarde vallen.

Hoogtepunten: Aloft / Alfa Berlina / Room 1210 / Brought to book / Almost the words / Go

Standaard
Reisgids

Langs de randen van Calabrië (3)

Calabrië vormt, zoals gezegd, de ‘neus van de laars’ van Italië. De ‘hak van de laars’ is Apulië (Puglia). De regio Basilicata scheidt neus en hak en de Golf van Taranto kietelt onder de voet. Opmerkelijk gegeven van het Calabrische schiereiland is de nabijheid van het eiland Sicilië. Eens moeten die twee aan elkaar vastgezeten hebben, dat kan een kind nog zien. Maar nu loopt er die flinterdunne Straat van Messina doorheen: wie kijkt naar vegetatie en terrein ziet meteen dat het eiland een geografische voortzetting van het schiereiland is. Wie kijkt naar het wegdek ziet meteen verschil.

IMG_0039

Op het strand van Calabrië: daar in de verte Sicilië. Kon niet genoeg krijgen van de nabijheid

Het onderhoud van de wegen in Calabrië is opmerkelijk slechter dan op Sicilië: eerlijk gezegd komt het woord ‘erbarmelijk’ bovendrijven, zelfs voor Italiaanse begrippen. Niet dat de Italiaan zijn – in onze ogen – volstrekt onverantwoordelijke en roekeloze rijgedrag eraan aanpast. O nee. Hard scheuren en inhalen is de tweede natuur van elke automobilist. De auto met een Italiaans nummerbord in je achteruitkijkspiegel die je níet inhaalt kan alleen een huurauto zijn…

Vrachtwagens storten zich van bergen en heuvels af alsof de bestuurders zich bevinden in een niet al te lastig level van Mario Kart. De gaten in het asfalt zijn hier en daar geen kraterinslagen meer, maar vormen stukken ontbrekende weg. Slalommend spaar je de ophanging van de auto nog enigszins: de grens bereik je vanzelf, wanneer je op de verkeerde weghelft een tegenligger ziet aankomen. In sommige gaten in wegen schijnen complete auto’s verdwenen te zijn waarvan later alleen een afgekloven reserveband is teruggevonden.

IMG_0234

‘Hoezo verkeersbord? Mij is niets opgevallen…’

Dat is op Sicilië – en de rest van Italië trouwens – echt niet zo, hoewel we ook daar op de autostrada toch kuilen zagen opdoemen waarvan ik dacht: o jé als ik dat maar haal… Calabrië is echt het stiefkind van Italië.

Gaspedaal

De Italiaan zit er niet mee. Onverstoorbaar trapt hij/zij het gaspedaal in, ongeacht de staat van het wegdek, inhalend waar het zéker niet kan, invoegend waar geen ruimte is, klevend aan de achterbumper van z’n voorligger… toeterend, ongeduldig. Wegmarkering is er om te negeren; evenals de meest lachwekkende verbodsborden die ooit zijn verzonnen: wit met een rode rand en het getal 50 erin én wit met een rode rand waarin een rood en een zwart autootje.

Ik heb veel over het Italiaanse rijgedrag nagedacht, al die vakanties in dat fascinerende land. Ik probeer het te begrijpen. Grappig genoeg kwam een deel van het inzicht na terugkeer in Nederland. Wandelend over de Kralingse Plaslaan, in lommerrijk Kralingen, passeerde ons een auto die vol gas optrok naar een snelheid van pakweg 70 kilometer per uur, met veel kabaal. Achter het stuur zat een ‘jongeman’, onderuit gezakt in de bestuurdersstoel, petje scheef op het hoofd. Terwijl hij voorbijreed keek hij ons even aan: een fractie van een moment zag ik in die impertinente blik een mengeling van: kijk mij eens, ik heb niks met jou te maken, durf er eens wat van te zeggen, fuck you, loser, jij daar met je wandelschoenen…

Dat is het verschil met de Italiaan die achter het stuur alle mogelijke verkeersovertredingen maakt. Die vloeien niet voort uit een houding, een attitude, of een statement, maar uit een manier van leven die van vader op zoon gaat, van moeder op dochter. Iedereen doet het, dus het valt niet meer op. Het valt pas op als je vijftig rijdt waar je vijftig mag… De Italiaan haalt aan één stuk door, niet om een punt te scoren, maar omdat zijn voorligger nu eenmaal in de weg zit. Zo simpel is het, volgens mij.

Het geloof

Over simpel gesproken… (Hierover later meer, trouwens.)

Het rooms-katholieke geloof straalt je van elke straathoek tegemoet. Kerken en kloosters in overvloed, souvenirshops met religieuze uitingen, de afbeeldingen van de paus(en) en van raadselachtige figuur Padre Pio in winkels en bars komen van alle kanten op je af, tot je er draaierig van wordt.

Als we onze gehuurde huisjes en kamers betrekken is het eerste wat gebeurt, nadat de rebbelende eigenaar/-naresse de spreekwoordelijke hielen heeft gelicht, het verwijderen van alle geloofsuitingen van de muren, tot aan het moment waarop we het onroerend goed weer moeten opleveren. Wij houden er niet van. Na verloop van tijd heb je zin om op een straathoek met een gettoblaster heel hard muziek van Buxtehude te laten horen, als een Noord-Europees oer-protestant antistatement. (Als je toch zo nodig moet geloven, doe het dan een beetje normaal.)

IMG_0188

Sint Franciscus van Paola op de voorruit van een Panda

Op de voorruit van een geparkeerd Pandaatje in het plaatsje Pizzo heeft de bestuurder een sticker met de beeltenis van Sint Franciscus van Paola geplakt. Dat is zo’n uitzonderlijke heilige – eerlijk gezegd nergens eerder in Italië gezien op een icoon – dat het me ontroert, temeer daar het meest krasse staaltje van deze heilige door Franz Liszt zo meeslepend en virtuoos op muziek gezet is. Hij overbrugde immers de Straat van Messina zeilend op zijn mantel omdat hem een meer orthodoxe overtocht was geweigerd. ‘Saint François marchant sur les flots’ is de tweede zogenoemde Légende voor piano van Liszt en behoort in zijn ruim bemeten oeuvre tot de onvergelijkelijke hoogtepunten.

Sint-Franciscus-die-over-de-golven-loopt is ongeveer een halve eeuw geleden tot beschermheilige van de regione verklaard… Aldus heeft het havenplaatsje Paola aan de Tyrreense Zee er een trekpleister bij. Het geheel speelde zich in de vijftiende eeuw af dus verifiëren – laat staan repliceren – kunnen we het onwaarschijnlijke huzarenstukje van deze doorzetter niet meer. En dat is natuurlijk in essentie het geloof ten voeten uit.

Zoals God zelf al antwoordde in een – overigens gecensureerde – scène uit de Fred Haché Show, op de vraag van Barend Servet naar de precieze essentie van de heilige Drie-eenheid: ‘U moet maar van Mij aannemen dat dat wel goed zit. Gelooft u dat maar gewoon, anders zou het tenslotte geen geloof meer zijn, nietwaar, het woord zegt het al.’

Standaard
Reisgids

Langs de randen van Calabrië (2)

In augustus 1943 ontsnapten bij elkaar zo’n honderdduizend Duitse en Italiaanse manschappen met hun materieel over de Straat van Messina, van Sicilië naar de ‘neus van laars’, Calabrië. ‘To fight another day,’ aldus een Brits gezegde; en dát hebben ze geweten.

Vierenzeventig jaar later doen wij als toeristen de oversteek dunnetjes over. Positief verschil: er is voldoende drinkwater van topkwaliteit en er wordt niet op ons geschoten.

IMG_0017

De ontsnapping vanaf Sicilië, midden augustus 1943. Uit de Times Atlas of the Second World War

Wat zich al die jaren geleden afspeelde was geenszins het meest bejubelde staaltje Geallieerd militair-tactisch vernuft in WO II, kunnen we met een gerust hart zeggen. De vijand in de hoek gedreven, op een eiland nota bene en je laat hem zó zijn hielen lichten; over het smalste stukje water in de complete Middellandse Zee óók nog eens… Lijkt wel een kopie van ‘Duinkerken’, drie jaar eerder.

De Duitsers hadden, misschien mede door hun ontsnapping, een relatieve peulenschil aan de verdediging van kust tot kust (Tyrreense naar Adriatische Zee) van de schacht van de laars. De Geallieerden moesten juist in barre (weers)omstandigheden aan weerszijden van de Apennijnen zich ploeterend een weg omhoog banen: de Amerikanen links, de Engelsen rechts. Het moet verschrikkelijk geweest zijn. In mei 1945 waren ze, ondanks al die amfibische landingen achter de Duitse linies, nóg niet ‘boven’, kun je nagaan. Toen hadden de Italianen lang en breed eieren voor hun geld gekozen en de Geallieerden de hand gereikt.

Je hoeft maar een klein stukje van Calabrië te exploreren of je hebt al een indruk van de geologische nachtmerrie voor militaire strategen: aan bijna alle zijden van het schiereiland een klein stukje strand, als je geluk hebt wat vlakke grond en dan húplakee steil omhoog… kronkelwegen, dichte bossen, onherbergzaam. Makkelijk te verdedigen terrein, nauwelijks te veroveren. Long time ago…

Veerdiensten

De overtocht van een half uurtje kost vanaf Messina 33 euro voor drie personen en een auto. Verwacht geen verzorgde overtocht à la de veerdiensten tussen de Waddeneilanden en het vasteland van Nederland: in een van de schepen der BluFerries tref ik een wc aan in een staat van vervuiling die het bevattingsvermogen ontstijgt. En dat als service voor de Italiaan in hoge nood, die in zijn badkamer twintig verschillende soorten shampoo, conditioner en doucheschuim heeft staan en die thuis zijn handen wast met schuimende aardbeien-gel waardoor zij zo heerlijk naar Bubblicious-kauwgum ruiken.

IMG_0029

De vertrekhal in Messina, nog door Mussolini geopend

Je vertrekt vanaf een strak vormgegeven, natuurstenen gebouw aan de haven, geheel volgens architectonische maatstaven van de fascistische idealen ontworpen. Mussolini zelf heeft de vertrekhal nog geopend. Wie overigens een majestueus uitzicht over de Straat en de haven van Messina wil ondergaan – aan de overkant tegen de uitlopers van de Apennijnen aangeplakt de uitgerekte steden Villa San Giovanni en Reggio di Calabria  – moet helemaal naar boven, naar de achthoekige Tempio Votivo de Cristo Re. Overigens een neobarok rotding van koud honderd jaar oud, dat alleen door zijn ligging bijzonder is. Ernaast prijkt een bronzen klok, die vervaardigd is van omgesmolten (vijandige) kanonnen uit de Eerste Wereldoorlog. Een joekel van een apparaat, een van de grootste van Europa.

Op sommige veerboten passen complete treinstellen (de rails lopen door op het scheepsdek) en tot mijn niet geringe vreugde zag ik vanaf een gearriveerd schip een passagierswagon rollen. Prachtig! Van Messina zetten we koers naar Villa San Giovanni, een kleine twintig kilometer ten noorden van de regionale hoofdstad Reggio di Calabria. (Je kunt ook op Reggio varen.) Hier liggen het vasteland en Sicilië extreem dicht bij elkaar: op de kaart ziet er allemaal zo weids uit. Nooit gerealiseerd. Je kunt bijna je geliefde aan de overkant zien zwaaien.

IMG_0030

Op de veerboot van Messina naar Calabrië: treinrails lopen door op het dek

De Straat van Messina is volgens Homerus’ Odyssee de plek van Scylla en Charybdis, waar zeelieden moesten kiezen tussen twee kwaden: de draaikolk aan de ene en het zeemonster aan de andere kant. Er is wel degelijk een plaatsje Scilla (spreek uit: shjíela) aan Calabrische zijde, dus het kan kloppen. Historici komen echter steeds meer tot de slotsom dat Homerus  een plek in Griekenland in gedachten had. Jammer nou.

Boerengemeenschap

Calabrië is van oudsher een boerengemeenschap; nog steeds is eenvoud troef. De dames ogen grofgebouwd en hanteren een kledingsmaak die ik – met mijn Westerse ogen, ik zeg het er maar uitdrukkelijk bij – als uiterst gewoon en op uitgaansavonden als ‘ordinair’ bestempel, op het randje van ‘snollerig’. Wanstaltige pumps, make-up to the max en strakke cocktailjurkjes van het merk ‘worstenvel’. En natuurlijk de subtiel geplaatste tatoeages. Je ziet types op hun stiletto’s balanceren over eeuwenoude plavuizen dat je denkt: pas op kind, blijf op de been, daar zijn die stenen indertijd niet voor gemaakt.

De mannen spuiten zich arm aan geurtjes, in zulke hoeveelheden dat zij tot aan de grenzen van nabuurgemeenten op te merken zijn. Ze geven waarschijnlijk vermogens uit aan de kapper: haar en baard zijn voorbeeldig in model. Hoe provinciaal ze verder ook mogen ogen.

Gemeenschap

Over boers gesproken: in de ingeslapen maar lieflijke provinciegemeente Vibo Valentia komen we in de ‘hoofdstraat’ in zo groten getale personen tegen van het formaat onderdeur, dat hier sprake moet zijn van een wijdverbreid gen. Dat gekoppeld aan de grote hoeveelheid figuren met ‘een beperking’ – de types die mijn moeder steevast oneerbiedig met ‘niet goed boemel’ aanduidde – doet me beseffen dat het hier eeuwenlang bepaald een ongezond bestaan geweest moet zijn. Een paar honderd jaar schraalhans keukenmeester in een afgezonderde gemeenschap en dan krijg je dit…

IMG_0219

Van topdrukte naar uitgestorven in luttele minuten: tijd voor pasta!

Diezelfde hoofdstraat is rond half één ’s middags overigens binnen luttele minuten uitgestorven: allemaal aan de pasta! Alsof er in het hele land een interne wekker afloopt. Wonderlijk.

In datzelfde Vibo Valentia vind ik een schoolvoorbeeld van contrastrijk stadsbeeld als het gaat om ‘buitenruimte’ ten opzichte van ‘binnenruimte’. De gevel van het Palazzo Cordopatri, aan het eind van een schier eindeloze trap omhoog, ziet er zo verwaarloosd uit dat je niet anders dan verontwaardigd kunt zijn dat zo’n fraaie negentiende-eeuwse stadsvilla aan haar lot over gelaten is. Je kunt nog nét zien dat het een prachtpand geweest moet zijn bij oplevering, waarin nu ongetwijfeld wat sloebers tegen een woekerhuur een armzalig bestaan leiden.

Maar zodra we om het pand heen zijn gelopen zien we aan de kopse kant een nieuw ontworpen ingang, waaraan naambordjes prijken waaruit we opmaken dat hier advocaten Giuseppe Cutrullà en architect Alessandro Turano kantoor houden, alsmede een projectontwikkelaar en een consultant. Naar binnen glurend ziet het er allemaal fonkelnieuw uit. Er wordt druk en luidkeels vergaderd.

IMG_0212

Palazzo Cordopatri in Vibo Valentia: van buiten een bouwval, van binnen paleis

Kortom, waar Nederlanders vooral bezig zijn met voor- en achtertuin, gevelreiniging, schilderwerk en het wassen van de auto voor de deur, zal het de Italiaan worst wezen. Achter de toegangsdeur ziet het er allemaal pico bello uit. Je kijkt je ogen uit. (Aannames en vooroordelen – dé achilleshiel van de toerist.)

Nationaal fenomeen

Dit verbijsterende verschil tussen ‘buiten en binnen’ is overigens een nationaal fenomeen. Ons verblijf in Napels vorig jaar bracht ons in de Corso Vittorio Emanuele die bij eerste aanblik vooral baat zou hebben bij broodnodige stadsvernieuwing en naast achterstallig stucwerk een hectoliter verf hier en daar. Het midden negentiende-eeuwse pand van onze gastvrouw zag eruit alsof het ternauwernood een bombardement, drie aardbevingen en een vulkaanuitbarsting had overleefd – wat waarschijnlijk ook zo was.

Eenmaal binnen bij ‘la Signora’ – na een ritje in een lift die me ingaf bij thuiskomst toch ‘s mijn testament te actualiseren – had ik ogen op steeltjes vanwege de kraakheldere luxe, de inrichting en stijlvolle klasse van het ruime appartement, dat langs Central Park in New York niet zou misstaan.

Standaard
Reisgids

Langs de randen van Calabrië (1)

‘Siamo fuori.’ We zitten buiten, zeg ik. De barista in Bar del Centro in de Calabrische kustplaats Pizzo die vanachter de toonbank onze bestelling van koffie en gevulde brioches heeft opgenomen, fronst een moment de wenkbrauwen, houdt zijn hoofd een tikkie scheef, maakt een subtiel gebaar met één hand richting het terras en zegt in diepe ernst ‘certo, meneer.’

Het gaat op een oprechte toon en met een mimiek die ogenblikkelijk suggereert dat mijn beoogde zitplaats én de bijbehorende bestelling de enige correcte is. Sterker nog, iedereen bij zijn volle verstand zou mij in mijn voetsporen moeten volgen. U weet tenminste hoe het hoort meneer! Het is mij een eer iemand van uw klasse te mogen bedienen… Dat alles lijkt de man uit te drukken. Vanzelfsprekend, ga uw gang, ik had niet anders van u verwacht.

Het zijn de momenten die je bijblijven. Italianen, ook in Calabrië, het ‘stiefkind’ onder de twintig  regioni (een soort grote provincies), weten gelukkig precies hoe alles hoort. Men drinkt cappuccino tot een uur of elf, men gebruikt het middagmaal rond een uur of een, men doet een dutje – men eet weer na het werk of verblijf op het strand en zoekt tot diep in de avond verkoeling buiten op straat. Allemaal tegelijk. Volgens een vast patroon.

IMG_0104

In de bars en restaurant op het strand eet iedereen tegelijk, zoals hier in Tropea. Spreiding is ondenkbaar. Prachtige taferelen…

Op het strand huur je een parasol en twee ligbedjes, die allemaal keurig in het gelid staan. Hoe dichter de rij bij het strand – ‘prima fila, seconda fila, terza, quarta’ – hoe meer je betaalt.

Mannen en jongens gaan kopje onder in zee; vrouwen waden tot hun middel in het water. Zodra de kreet ‘medusa!’ te horen is, sprint eenieder het water uit. Ze zijn, terecht, bevreesd voor kwallen.

Ik heb nog een poging gedaan mij op een geschikt ogenblik dezelfde stijlvolle Italiaanse vanzelfsprekendheid als die van de barista in Pizzo aan te meten – moeilijke blik, gebaartjes – maar de vrouwelijke reisgenoten trakteerden mij slechts op verbazing. ‘Wat kijk jíj ineens raar…’ Je moet er wellicht voor in de wieg gelegd zijn.

Al banco o al tavolo

Dat ‘siamo fuori’ is trouwens een belangrijk zinnetje in de Italiaanse horeca: voor je het weet sta je met de taartjes en de koffie in je hand midden in de zaak voor aap. Terwijl je juist buiten op het terras bediend wilde worden. En ‘al tavolo’ is nét een fractie duurder dan aan de toonbank. Heb je koffie en toebehoren ‘al banco’ ongewild gekregen – na de nodige vragen omdat je nu eenmaal niet weet wat het aanbod in de vitrines is, laat staan hoe de lekkernijen ter plekke heten – dan kun je met goed fatsoen niet meer op het terras plaatsnemen. Ja, dat luistert allemaal uiterst nauw.

Die Italiaanse hang naar ordening staat in schril contrast met de, in Westerse ogen, volstrekte chaos en organisatorische waanzin die de dagelijkse gang van zaken lijkt te overheersen. Overal en altijd.

Rotzooi op straat

Over contrast gesproken. De hysterie rond gescheiden afvalinzameling waarmee je sinds enige jaren – op stranden, in de openbare ruimte, bij de burger thuis – wordt geconfronteerd valt nauwelijks te rijmen met de hemeltergende rotzooi op straat. Iedere gastheer van een gehuurd huisje legt je omstandig uit in welke kleur emmer de koffiedrab moet, waarin het glas, het plastic en het restafval. Een systeem van ophalen per soort per weekdag zou de rest moeten doen.

IMG_0364

Bekend beeld op straat, op het strand, bij de mensen thuis: de gekleurde containers ter gescheiden afvalinzameling, zoals hier in Messina

Maar voordat de cultuur in het land zo veranderd is dat men afval niet standaard langs de kant van de weg laat slingeren of uit een autoraampje kiepert, moet er heel wat water door de Straat van Messina zijn gestroomd. Het land oogt als een festivalterrein na drie dagen dance party, waarbij elke bezoeker ook nog een vuilniszak van huis heeft meegenomen en leeg gestrooid.

IMG_0402

In een vervallen muur is een gat ontstaan waardoor je makkelijk op een braakliggend terrein huisvuil kan mieteren… Handig!

Het gekke is dat je nooit een Italiaan hoofdschuddend of afkeurend wijzend bij zo’n afvalhoop aantreft. Het lijkt hem domweg niet te interesseren.

Ze zullen oprecht menen dat ook dit zo hoort. Ruimte genoeg trouwens. Bonaparte zei al: Het probleem met Italië: het is te lang.

Standaard
School

De docent als vaderfiguur en halfgod

‘Im. Be. Ciel.’ Het was ’n herfstdag waaraan geen eind leek te komen, zo een die ’s morgens al aanving in halfduister, waartegen de vier plafonnières, met de identieke vorm en fletse kleur van de klosjes haakkatoen van mijn moeder, zich aan het hoge plafond van het grauwe lokaal vergeefs verzetten; een schooldag die na de laatste les zou eindigen in dezelfde mineurstemming als waarin hij begon, daar hoefde je geen meteoroloog voor te zijn.

De klas had een vertaling van een pagina Xenofon voorbereid, die de leraar Grieks naar goed gebruik steekproefsgewijs op waarde zou schatten. De stemming was landerig, de leerlingen waren stil. Er hing geen hilariteit in de lucht – daar was de deken van duisternis buiten te beklemmend voor.

Een klasgenote met de exotische naam Zsoka Bonta, die in de tweede klas was ingestroomd, had ‘de beurt’. Haar was verzocht een stukje ‘anabasis’ om te zetten in het unieke idioom van de gymnasiast, een in houterig Nederlands vertaalde frase Grieks of Latijn. Zsoka worstelde met een door Xenofon opgetekende militair-strategische episode uit het leven van Cyrus, die voor de aristocratische chroniqueur uit de Peloponnesos misschien gesneden koek was geweest, maar voor een Rotterdams meisje in 1970 geenszins. En dat terwijl zij van Midden-Europese komaf was, en nog wel uit een gebied waarin het elkaar over de kling jagen al eeuwenlang tot de tweede natuur behoorde.

De donkerharige, inmiddels met een blos van inspanning op haar geprononceerde jukbeenderen, ontmoette in het opengeklapte boek voor haar, boven het bordeauxrode linnen met goudopdruk, een lettercombinatie die zij met geen mogelijkheid kon thuisbrengen. Het was nog met een hoofdletter geschreven ook.

Γλουν.

Zij stokte. Het klassikaal instinct sloeg meteen groot alarm. Twijfel rees alom over haar voorbereidende inspanning rondom Xenofon de avond ervoor. Men ging er eens voor zitten en spitste de oren. Even keek het meisje in verwarring op, waarna zij vervolgde, met een zenuwachtig lachje als van iemand die op een leugentje betrapt wordt: ‘…een gloe…’

Kus in een stil hoekje

Er was in die tijd niet eens een geestig of spitsvondig grapje nodig om mij in krankzinnig gelach te doen uitbarsten, daar zorgden de hormoonhuishouding en de puberale verwarring wel voor. En meligheid was immers een gecultiveerde uitwas van de tijd? De plotselinge hysterie na het onmogelijke ‘gloe’ werd nog eens versterkt door mijn vurige passie voor het onbereikbare wezen van de poesta die het uitsprak, gevoelens die ik toentertijd met geen mogelijkheid in de juiste richting – laten we zeggen, een langdurige kus in een stil hoekje tijdens een klassenavond – wist te kanaliseren, al had ik er een miljoen mee kunnen verdienen.

Nu bestond daartoe ook geen noodzaak want deze dochter der Magyaren keek jaar in jaar uit dwars door mij heen alsof ik lucht was. Maar dit was weer een uitgelezen moment om mijn bovenmatige aandacht voor haar te openbaren, zo moet ergens een plek in de hersenschors besloten hebben. Een gloe! Mijn kakellach als van een ontsnapte idioot had als klap op de vuurpijl nog een onsmakelijke component, omdat ik even tevoren een door mijn buurman Frank Treurniet aangereikte chocoladetoffee, merk Côte d’Or, in de mond had gestopt en me halverwege een masticatieproces bevond. Het zal me een fraai schouwspel geweest zijn.

klas2

Erasmiaans Gymnasium, klas 2a, 1969/1970. Achterste rij vierde van links de geprononceerde jukbeenderen, uiterst rechts met zwarte trui en bril de auteur

De docent maakte in een tel een eind aan mijn euforie. Hij keerde zich met onverholen dedain naar mij toe en voegde mij alleen die drie lettergrepen toe, niet sissend, noch schreeuwend, op normale conversatietoon; dat maakte het nog een graadje erger. ‘Imbeciel.’

Walm tabaksrook

In de kern had de heer Bos hier een punt, dat zag ik toen ook wel, maar de terechtwijzing, vanuit zijn standpunt o zo begrijpelijk, trof mij in het hart als ware zij de lanspunt van een hopliet. Want ik mocht Bos graag, sterker nog, ik keek tegen hem op en, als ik er nu van een afstandje op terugkijk, wilde ik maar wat graag bij hem in een goed blaadje staan. Het pejoratief wierp mij meteen vol schaamte mijlenver terug op de weg naar erkenning. Ik beschouwde Bos heimelijk als een ‘coole’ docent, ofschoon je dat adjectief destijds nimmer in de mond nam, laat staan in de betekenis zoals wij die nu kennen. Het was in mijn ogen een knappe man, rijzig, met een donkere bos (no pun intended) haar dat woest golvend naar één kant uitbolde, boven een pak van onduidelijke snit en kleurstelling dat hij in mijn herinnering zonder uitzondering elke dag droeg, in welk jaargetij dan ook.

Bos was zoals zoveel docenten indertijd – eind jaren zestig, begin jaren zeventig – een verstokte roker in de klas en hulde zich bij voorkeur in een dikke walm tabaksrook waardoorheen hij met dichtgeknepen ogen de omgeving onbewogen in zich opnam. Op gezette tijden spoelde hij zijn handen af in het fonteintje bij de deur om ze vervolgens af te drogen aan het gordijn naast zijn bureautje op de verhoging. Dat geplaagde textiel was inmiddels door jarenlang oneigenlijk gebruik verworden tot een half vergaan vod, waar de gescheurde lappen aanhingen.

De heer Bos had als hobby de herkomst van familienamen en herleidde, tijdens een zeldzaam ontspannen moment in de klas, de mijne correct naar de Zeeuwse eilanden. Ik voelde mij gestreeld. Althans, correct volgens de mij ingepeperde familiefolklore, want veel later stamboomonderzoek wees de West-Brabantse delta uit als bakermat, alwaar mijn voorouders in deprimerend klinkende kleidorpen als Noordwijk, Uitwijk, Sleeuwijk, Werkendam en Babyloniënbroek de kost verdienden als koetsier, landarbeider en boerenknecht. Generaties lang zal geen van hen ooit een chocoladetoffee hebben geproefd, daar kunnen we gelet op hun sociale status zeker van zijn. Dit geheel terzijde nu, maar punt blijft dat de Biesbosch hoe je het ook wendt of keert pal in de buurt van Zeeland ligt, dus hij zat er niet ver naast.

Wat maakte Bos zo’n bijzonder persoon in mijn ogen en waarom raakte mij zijn als invectief bedoelde term – die voor het eerst in 1650 in de Nederlandse geschreven taal opduikt, ik heb het nog even opgezocht – zo pijnlijk diep, dat het nu na vijfenveertig jaar nog met gemak de functie vertolkt van een in thee gedoopte madeleine?

Holland’s Next Top Model

Dat mijn hang naar een sterke man, een ‘vaderfiguur’ die bij gemis aan het echte werk thuis voor compensatie moest zorgen, er een rol bij speelde lijdt geen twijfel. Wie zonder vader opgroeit loopt een wond op die nooit volledig heelt. Ook op latere leeftijd kriebelt het litteken ruw geschat tien keer per dag. Ik heb me erbij neergelegd. Ik was dan ook van jongs af aan onbewust op zoek naar een leidsman en kon mij makkelijk in de leerlingenrol plaatsen. En dat is ook een kwaliteit, om het maar eens in voetbaltermen uit te drukken, want hoe moeilijk het voor de moderne mens is om een autoriteit ‘boven’ zich te dulden, daarvoor hoef je maar één keer naar Holland’s Next Top Model of Heel Holland Bakt te kijken. Het is voor deelnemers aan die shows, in hun zelfovertuiging, vrijwel onverdraaglijk te worden gecorrigeerd door iemand die het nu eenmaal beter weet. Ik heb daar nooit moeite mee gehad.

Maar Bos was een enigmatische man, die niets over zichzelf losliet, behalve die ene hobby dus, en in de klas zich beperkte tot de geheimen van de Griekse taal. Daarbuiten was hij gesloten en deed er, naar mijn smaak, ietwat grimmig het zwijgen toe. Ik voelde intuïtief dat er onder die verbeten vormelijkheid iets broeide, iets rommelde. Het ‘imbeciel’ ontsnapte uit een op knappen staand ventiel dat een fractie van een moment lekte en daarna zich gehaast weer sloot. Maar die ongrijpbare, bijna karakterloze status trok mij juist aan.

Een oud-klasgenoot uit de groep Erasmianen die in 1975 na het eindexamen in een opgelapte Volkswagen-bus een tocht maakten langs de grenzen van het Romeinse Rijk, verhaalde hoe zij tijdens de reis langs oudheidkundige bezienswaardigheden bij een bepaalde trekpleister, ik meen Luxor, op een terrasje niemand minder dan de heer Bos aantroffen, achter een kopje koffie, lezend in een krant. De reisgenoten stoven aangenaam verrast op de docent af en uitten een respectvolle groet. Die werd door de man in koelte geretourneerd waarna hij doodgemoedereerd verder las in zijn krant, zonder verder de jongelui een blik waardig te gunnen. Zij dropen verbouwereerd af.

Op zijn zachtst gezegd lastig verklaarbaar gedrag van deze man, op welke manier je het ook bekijkt. Wanneer je duizenden kilometers van huis enkele bekenden tegen het lijf loopt, zal dat onder normale omstandigheden toch een kortstondige begroeting opleveren in de geest van ‘Hé, dat is ook toevallig!’ Maar als je dan ook nog eens succesvol blijkt te zijn geweest in je vak, namelijk in het kweken van interesse voor de Oudheid, gelet op de aanwezigheid van vijf verse alumni met een Baedeker in de hand in de Egyptische bloedhitte bij een eeuwenoude ruïne, dan zou elke classicus ter plekke enkele vreugdesprongetjes hebben uitgevoerd. Zo niet Bos. Wat moet hij ons in stilte gehaat hebben, denk je dan.

Zijn initialen waren J.K. maar al sla je me dood, ik zou niet weten waar de letters een afkorting van waren. Jacob Kees? Jan Karel? Johan Krijn? Geen idee. Waar woonde hij? Wat was zijn verjaardag? Was hij getrouwd, had hij kinderen?

Barricade van leerstof

Volgens recent onderzoek omschrijven docenten hun leerlingen met wie ze een positieve relatie hebben als assertief, vriendelijk, gemotiveerd en geïnteresseerd in de stof en in de docent zelf. Van leerlingen met wie ze een problematische relatie hebben vinden ze dit niet (Claessens, 2016). Opmerkelijk hè. Maar in de jaren zeventig was er tussen docent en leerling geen sprake van wat voor relatie dan ook, een goede noch slechte… Daar bestond aan gene zijde, aan de overkant van de diepe autoriteitskloof tussen ‘hem’ en ons, te weinig openlijke interesse. In een situatie waarin de docent zijn uiterste best doet om zich in stilzwijgen te hullen achter een barricade van leerstof en te verdwijnen in wolken tabaksrook, kan geen sprake zijn van een ‘band’. Wij kregen onderricht van vaklieden, niet van pedagogen.

klas3

Erasmiaans Gymnasium, klas 3a, 1970/1971, in ontspannen pose (foto mogelijk dankzij de zelfontspanner) tijdens een tussenuur. Links vooraan (lila t-shirt) de auteur, zittend met witte broek  de ‘jukbeenderen’, half op de grond de man van de chocoladebonbon

Als vader van een middelbare scholiere (Libanon Lyceum) ben ik nieuwsgierig naar de sfeer in tegenwoordige klassen. Daar kom ik natuurlijk bij de bron vrij weinig over te weten – elke vraag daaromtrent wordt opgevat als een verzoek om de kluiscode van De Nederlandsche Bank – maar tijdens rapportbesprekingen of een voorlichtingsavond mag ik dan toch in de mentorklas plaatsnemen, in het laatste geval met andere ouders. Ik kon, laatst nog, in alle rust de indeling en inrichting van het lokaal Nederlands tot me nemen. De jolige posters, de ontspannen opstelling der bankjes, de ‘gezelligheid’, de leeslijst van honderdvijftig titels aan de muur… De huidige mentor, de leraar Nederlands, werd door de personen om mij heen familiair met zijn voornaam ‘Han’ aangesproken, niettegenstaande het feit dat hij met één been zijn pensioen bereikt heeft. Ruim voor het eind van ’s mans praatje maakten enkele ouders, met kennelijk nog een drukke agenda die avond, zich uit de voeten. ‘Han, het spijt me, maar ik heb andere dingen te doen…’ Een van hen legde nog vergoelijkend een hand op zijn schouder. Ik wist niet waar ik kijken moest, eerlijk gezegd. Zij moeten geheel andere omgangsvormen met hún docenten gewend zijn geweest.

Peek & Cloppenburg

Onze leraar Duits, W. van der Harst, leek in de verste verte niet op Bos, maar kon hem wel een hand geven als het ging om het uitentreuren afdragen van het wazige soort pak uit de rekken van Peek & Cloppenburg, gesneden uit verwant polyester. Van der Harst was een over de gangen dribbelend mannetje, met sluik vet haar, een ongezonde teint en een gebit als een afgebrand kerkhof (vrij naar Vestdijk), dit alles resulterend in een uiterlijk dat associaties met Repelsteeltje opriep. Verre van een rolmodel of vaderfiguur; maar een uitermate vriendelijke man en een bevlogen leraar, die als een bezetene zijn kennis wilde overdragen en verder volstrekt anoniem kon blijven. Een fanaticus, een zeloot. Eens getroffen door zo’n keelontsteking dat er nauwelijks geluid uit hem kwam, vervoegde hij zich plichtsgetrouw toch in de school, om de lessen via een microfoon en luidsprekers af te steken.

Dat de man nooit een schooldag verzuimde wisten we, maar of hij bij thuiskomst enkele strofen Faust II tot zich nam en vervolgens zwijmelde bij Die schöne Müllerin van Schubert, dan wel op zijn sportfiets een kilometer of tachtig door de duinen sjeesde en daarna tot in de kleine uurtjes half lam aan een willekeurige toog hing… geen idee, het had allemaal net  zo makkelijk gekund. Nog zo’n enigma, deze figuur, waar de doorsnee leerling voorzichtigheidshalve met een ruime boog omheen manoeuvreerde.

Van der Harst leeft in de – tot nu toe – ongeschreven schoolannalen voort als de man die de tweelingbroer van Nico Schoots in de klas ongestoord een proefwerk liet maken, terwijl deze Jan Schoots in feite leerling was op een andere school. Jan was nu eenmaal veel beter in Duits dan Nico en was speciaal een uurtje overgekomen. Hij had zelfs de kleren van zijn broer aangetrokken. Een kras staaltje, temeer daar iedereen van het bedrog op de hoogte was, behalve de leraar zelf. Of misschien rook hij wel degelijk onraad, maar weigerde zijn goede hart deze aan de flessentrekkerij van Jakob rakende enormiteit toe te laten, de oudtestamentische oplichter die in de tent van zijn kippige vader met nep-haar op zijn armen zich voordeed als zijn tweelingbroer Ezau.

Lichtbeelden van eigen makelij

Van der Harst nam wel degelijk aanstoot aan bezoedeling van de Duitse taal en cultuur. En niet zo zuinig ook. De legendarische spreekbeurt van Frans Elderson over diens  bromfietsvakantie naar het Zwarte Woud, verluchtigd met lichtbeelden van eigen makelij, hing zo tenenkrommend van steenkolen-Duits aan elkaar dat hij met de beste wil van de wereld niet de schijn van gedegen voorbereiding kon ophouden. Er werd ter plekke flink geïmproviseerd, dat kon een kind van vijf horen. Een en ander tot daar aan toe. Maar toen op het projectiescherm aan de wand van de verduisterde klas een dia te zien was van  Frans’ sheltertent op een regenachtige camping en dit staaltje fotografie werd voorzien van het gegrinnikte commentaar ‘Und das ist so mar ein Dia…’ werd het zelfs Van der Harst te machtig. Een 7 was het resultaat – anderen kregen minimaal een acht. Verder heb ik hem nooit boos gezien. Daarvoor leek hij te zielsgelukkig om überhaupt voor de klas te mogen staan, wat de jeunesse dorée tegenover hem er ook uitspookte.

Bij mijn weten heeft Van der Harst de Teutoonse fakkel slechts aan één jaargenoot doorgegeven: Hendrik-Jan van Gessel, die al tijdens zijn studie Duits als bijbaantje voor de klas is gaan staan om er vervolgens nooit meer uit te verdwijnen. Gezien de commentaren van zijn (oud-)leerlingen op zijn frequente Facebook-posts wordt Van Gessel door de meesten op handen gedragen. En als ik tussen de reacties op zijn foto’s en bespiegelingen eens een duit in het Duitse zakje doe, deelt hij grootmoedig complimentjes uit over mijn spelling, grammatica en hoofdlettergebruik. (De moeder van een van mijn dochters vriendinnen heeft nog les van hem gehad – het lot van een ‘late vader’.)

Kortom, Van der Harst heeft wel degelijk succes gehad in de enthousiasmering van minimaal één pupil en dat is ook wat waard. En ik vermoed dat mij, zeer matige leerling Duits, mocht ik hem eens hartje zomer vóór het Festspielhaus te Bayreuth aangetroffen hebben op een terras met een kopje koffie en Die Zeit, in afwachting van de eerste noten van Die Meistersinger von Nürnberg, een enthousiaster begroeting ten deel zou zijn gevallen dan die vijf onthutste jongens te Luxor van de heer Bos. Maar niets is zeker.

Besnorde country gentleman

Onze docent Engels, E. van Gendt, was een specimen uit dezelfde raadselkast. Tegen zijn cordon van gecultiveerd Brits flegma was elke toenadering machteloos. Besnorde Van Gendt was met geen mogelijkheid uit de rol van country gentleman te krijgen. Ook tegen hem keek ik wel op, niet letterlijk want hij bezat geen fors figuur. En het feit dat zijn uitspraak van het Engels gehinderd werd door een rauw-hese keelklank rondom de medeklinker r – een handicap waarmee hij tussen de Britten meteen door de mand viel mocht hij pretenderen ‘native speaker’ te zijn – deed niets af aan mijn fascinatie voor hem. Hij leek mij onverwoestbaar correct. Met zijn kale knar en tweed jasje was hij het evenbeeld van de majoor in het hotel van Basil Fawlty.

Van Gendt betrad begin jaren zeventig de school en liet er wat betreft de lesmethoden geen gras over groeien: het talenpracticum dat de jaren daarvoor opgeld had gedaan ter vervanging van het ‘stamp- en rijtjeswerk’ wierp hij verre van zich. Hij negeerde het lokaal met de zwarte hoofdtelefoons simpelweg, daar waar Van der Harst en vooral Boas (Frans) het hadden omarmd, en niet omdat deze apparaten de gevoelige kinderhoofdjes der gymnasiasten reeds na enkele minuten gebruik beknelden als stamden zij uit de verhoorkamers van MI5. Hij vond het gewoon onzin. De kip en ei-problematiek – gebruik dankzij kennis dan wel kennis dankzij gebruik – was door Van Gendt unilateraal beslecht. Alteration, alternation, altercation, schreef hij onder elkaar op het bord en gaf er mondeling de betekenis bij. Dat je het maar even uit je hoofd leerde…

Elke klas onder zijn hoede kreeg het (beetje zouteloze) gedichtje van Ogden Nash voor de kiezen:
A flea and a fly in a flue
Were imprisoned, so what could they do?
Said the fly, ‘let us flee!’
‘Let us fly!’ said the flea.
So they flew through a flaw in the flue

Tot op zekere hoogte werkte het systeem, zou je kunnen beweren, want ik kan het nu nog reproduceren. Mijn oudere broer maakte me erop attent dat de vliegfunctie van de vlo evolutionair was gedegenereerd ten faveure van z’n springcapaciteit en dat miljoenen jaren geleden vlooien met vleugeltjes achter hun prooi aan zaten. Waarlijk schrikbeeld voor de katten- en hondenbezitters onder ons, maar aan deze darwinistische invalshoek refereerde het woordenspel van Nash toch zeker niet. Hoe het ook zij, veel van mijn basiskennis van het Engels had ik opgedaan aan de hand van tv-series als Ivanhoe, Get Smart, Rawhide en talloze andere praktijkvoorbeelden, waarbij de Nederlandse ondertiteling instant begrip verschafte. So there you are.

Krampachtige grijns

Van Gendt was het een zorg en hij verschool zich, ijsberend door de klas en jonglerend met een stompje schoolkrijt, achter de krampachtige grijns rond zijn breed tentoongespreide boven- en ondergebit, een te pas en te onpas aangewende gezichtsvertrekking die zijn handelsmerk was geworden. Het moest een overwegend zonnige inborst suggereren,  hetgeen hem toch niet lukte. Daarvoor keek hij te veel langs je heen, door het raam de klas uit, naar een verdwijnpunt aan de einder. (Veel later las ik bij Jan Wolkers de van Raymond Chandler geleende frase ‘The sunshine was as empty as a headwaiter’s smile’ en ik moest subiet aan de grimas van Van Gendt denken.)

Mijn studiekeuze was op Engelse taal- en letterkunde gevallen, veeleer omdat niets beters op mijn weg was gekomen, niet uit oogpunt van werkelijke ambitie maar toch ook een beetje om Van Gendt te plezieren. Oude Talen was een logischer keuze geweest want dat waren tenslotte mijn beste vakken gedurende de laatste twee schooljaren. De klassieken waren echter bij uitstek ‘uncool’. Mijn eindexamen Engels verliep als een faliekant drama, waarschijnlijk omdat mijn hart er niet bij zat. Het hele laatste schooljaar door hadden zich er donkere wolken boven samengepakt. Mijn opstel verziekte ik omdat ik de opdracht niet goed had gelezen, mijn literatuurlijst leek nergens naar omdat ik liever Margaret Mitchell las dan Jane Austen en tijdens het mondeling was de simpele vertaling van het woord ‘mouw’ plotsklaps verdwenen – en dat voor een grammofoonplatenverzamelaar, die het woord ‘sleeve’ paraat zou moeten hebben als ware het de naam van zijn moeder. Nee, die studiekeuze, daar zweefde de zwarte hand boven.

Stel je voor. Een klassieke studie zou mij decennialang een veilig onderdak hebben geboden; de schemerige leeszaal van een universiteit, ver van de realiteit, van spaarzaam licht voorzien door plafonnières, daarin kromgebogen over stapels folianten en in linnen gehulde commentaren. En wanneer een willekeurige eerstejaars te midden van enkele soortgenoten een misplaatste schaterlach liet horen, had ik, al was het slechts één keer, een dodelijke blik als een hoplietenlanspunt kunnen paren aan een misprijzend geuit ‘imbeciel…’ Verlaat eerbetoon aan de heer Bos, die met zijn ongenaakbare Camel-rokende verschijning, grenzend aan het groteske, zo’n onuitwisbare indruk had gemaakt op een dolende jongeling.

klas4

Erasmiaans Gymnasium, klas 4a, 1971/1972. Middelste rij in het midden Zsoka Bonta. Middelste rij geheel rechts de auteur

Overigens was Van der Harst na het overlijden van zijn ouders, met wie hij al die jaren een appartement bleek te hebben gedeeld, niet bij machte verder te leven. Een eind touw bood soelaas.

Van Gendt werd bezocht door aangezichtspijnen van de gruwelijke soort, waarvoor hij een remedie zocht in alcohol, aan de gevolgen waarvan hij uiteindelijk is bezweken. Ik moest maar aan die eeuwige grijns denken toen ik van zijn kwaal hoorde.

En werd Bos op late leeftijd met zekere regelmaat bezocht door op het Gilles de la Tourettesyndroom gelijkende razernijen, waarbij de schuttingtaal en invectieven niet van de lucht waren, zo is mij verteld. Daar was dat ‘imbeciel’ een woord uit een kinderversje bij.

Dat waren er drie. De ruimte ontbreekt hier voor de classicus Tacx, die in de klas aan een stuk door wilde havana’s afwisselde met pijp en sigaret en stierf aan kanker. Voor historicus Janssen Perio, met zijn vuistdikke, vrijwel genegeerde studie over ‘de fascistoïde schurk’ Heidegger. Voor de bioloog Backhuys, die in een draaikolk van controverse verdween als directeur van Brill… Docenten uit onze Erasmiaanse tijd waren niet de halfgoden waarvoor het gebouw in mijn ogen zo’n ideale verblijfplaats scheen. Het lot dat sommigen ondergingen deed echter in wreedheid niet onder voor de bizarre straffen verordonneerd vanaf de Olympus.

Dat had geen enkele gymnasiast, met hoeveel gevoel voor de Griekse mythologie ook,  kunnen bevroeden zodra elke dag het legertje leraren weer uit het niets voor ons verscheen, met hun eigen niet te vatten logica en gewoontes als uit een vreemde beschaving; datzelfde niets als waarin zij opgingen na de laatste les, wanneer zij gehuld in vale regenjassen op hun zwarte Gazelles maakten dat ze wegkwamen.

Ter afsluiting, met een weemoedige knipoog naar Zsoka Bonta:

…ό Κυρος συν τοις περι αυτον αριστοις και ευδαιμονεστατοις και εταξε Γλουν και Πιχρητα λαβόντας τοũ βαρβαρικοũ στρατοũ συνεκβιβάζειν τας οιμάξας.
Cyrus stond daar met om zich heen z’n meest voortreffelijken en meest vermogenden, en beval Gloes en Pigres, genomen hebbend het barbaarse leger, de wagens [uit de modder] te trekken. (Anabasis, Boek I, Hoofdstuk 5)

[Verscheen eerder, in iets gewijzigde vorm, in Tolle Belege, alumniblad van het Erasmiaans Gymnasium]

Standaard
Boeken

Zet eens ’n Vestdijk op je verlanglijst

Iedereen zou Simon Vestdijk moeten lezen en blijven lezen – wijs en erudiet, veelzijdig, vloeiende stijl en bovenal veel meer vragen dan antwoorden. In dit tijdsgewricht in de Nederlandse delta, waar men alles zo goed weet en men vol overtuiging elkaar zó graag de maat neemt, is dat heerlijk verfrissend.

Ina Damman

‘Ina Damman’

Bij Vestdijk vind je het hemelse en het banale in volmaakte balans, vaak in één zin – waardoor de lezer denkt dat alles metafysische betekenis heeft. Wat natuurlijk ook zo is.

Ben je bijna jarig? Zet eens een Vestdijk op je verlanglijstje. Je wordt er een ander mens van, geloof me.

Zie onder een lijstje met aanraders.

Romans (een selectie)

In Harlingen (‘Lahringen’):

  • Kind tussen vier vrouwen – eersteling, afgewezen door uitgevers, vormde later de bron voor de Anton Wachterromans 1-3
  • Meneer Visser’s hellevaart – meesterlijke beschrijving van een kleinsteedse potentaat; Anton Wachter en zijn moeder hebben hier bijrollen.
  • Zo de ouden zongen… – een Anton Wachter-achtige hoofdfiguur en zijn ouders in een Friese mini-stad. Geniet van het gemak waarmee de schrijver in de eerste 6, 7 pagina’s de lezer op sleeptouw neemt naar (de scharrel van) zijn jeugd, gewoon wachtend op de bus bij een halte. Domineeszoon Wim Paardt is de bekende Vestdijkiaanse ‘sterke figuur’ waaraan de ik-figuur of hoofdpersoon zich spiegelt. Onvergetelijke scènes. Na dit boek kun je nooit meer de woorden ulo en mulo horen zonder in lachen uit te barsten, dus pas op. Misschien wel m’n favoriete ‘Vestdijk’.
  • De koperen tuin – hier weer een bijrol voor Meneer Visser [Noot 8 maart 2018: dit moet een black-out geweest zijn. Bij herlezing viel het me om dat Meneer Visser in het geheel NIET in dit boek voorkomt]. Trix Cuperus is zo’n tragische figuur als Madama Butterfly. Een hilarische beschrijving van een muzikale voorstelling behelst de amateuropvoering van de opera Carmen. De zelfdestructieve dirigent en muziekleraar Henri Cuperus vergeet je niet snel. Alle bijrollen zijn met uiterste verfijning geciseleerd: de vader en moeder van (ik-figuur) Nol Rieske en diens broer Chris… tot en met de notabelen in de provinciestad. Fenomenale subplots (pepermuntfabriek!) en contrapuntische verhaallijnen.
  • Sint Sebastiaan (AW 1)
  • Surrogaten voor Murk Tuinstra (AW 2)
  • Terug tot Ina Damman (AW 3)
  • De andere school (AW 4)
    (Vooral in Amsterdam:)
  • De beker van de min (AW 5)
  • De vrije vogel en zijn kooien (AW 6)
  • De rimpels van Esther Ornstein (AW 7)
  • De laatste kans (AW 8)

Wat kun je toevoegen aan de 8 Anton Wachterromans? Niemand in de Nederlandse taal deed/doet hem deze tour de force na. (Misschien Van der Heijden…) Voor 90 procent autobiografisch. Vestdijk laat zijn ‘vader’ sterven in deel 2 omdat die plot-technisch zo in de weg liep, terwijl de goede man pas in 1945 stierf. Tevens negeert hij de talloze debiliserende depressies uit zijn jeugd. Al met al een onbarmhartig egodocument. Waarin toch verbazingwekkend veel te lachen valt, op het kluchtige af zo nu en dan.

Het aantal onvergetelijke personages uit familie- en vriendenkring in die acht parels… Wie kent geen Jan Bredevoort? En iedere man die ooit in een 3e of 4e klas middelbare school heeft gezeten heeft zijn eigen ‘Ina Damman’: de herkenning blijft ook tachtig jaar na publicatie pijnlijk. Sommige littekens helen nooit; dat had Vestdijk goed begrepen.

Het hemelse en banale tegelijk, opperde ik? De overhandiging van een speculaasje aan de beide jongens door de moeder van Murk Tuinstra maakt SV tot een van onzegbare betekenis beladen handeling. Het oudtestamentische zit in het kleine…

En dan die laatste regels van Terug tot Ina Damman… hou de ogen daar maar eens droog. Over laatste regels gesproken… De laatste kans is het slotdeel, passende accolade achter die half miljoen woorden. (Voor het begrip zij vermeld dat Anton en zijn studiegenoot ‘Knutsen’ – die geen Knutsen heet en wiens stopwoordje het onherleidbare ‘scheetsgewijs’ betreft – even tevoren in Amsterdam met goed gevolg hun artsenexamen hebben afgelegd. En die veroordeeld zijn tot de vraag: wat nu? Tja, nu niets natuurlijk, weet Vestdijk/Wachter als geen ander, ofschoon Knutsen daar toch anders over denkt.)

“… Knutsen lachte, en wierp zijn vriend een listige blik toe. Maar opeens veranderde de uitdrukking van zijn gezicht. Hij werd iets roder, zijn mond hing open, zijn ogen trachtten zich open te sperren achter de bril, en die ogen waren gericht op een onbekende verte, of een verre onbekendheid, in het verkeer, achter het verkeer, in Amsterdam, of erbuiten, – een doel, een windstreek, een bevlogenheid… En Knutsen zei: ‘Daar heb je mijn tram,’ en hij wrong bijna Antons rechterhand af, onder het stamelen van ‘nou Anton, kerel, we hebben het toch fijn gehad met zijn beiden’, en ‘aju hoor’, en hij verdween scheetsgewijs, naar die tram, en zij zagen elkaar nooit meer terug.”

  •  De dokter en het lichte meisje – is eigenlijk AW9, dit luchtige verslag van een ‘waarnemer’ in dokterspraktijken.
  • De persconferentie – pal voor zijn dood begon SV opnieuw aan een roman over zijn jeugd, maar nu mét de depressies. Helaas onvoltooid, want het begin belooft veel.
  • Het verboden bacchanaal – De copieuze diners en drinkgelagen ten huize van Oom Moos en Tante Bertha in AW5 worden hier nog eens dunnetjes overgedaan, maar dan met andere figuren. En altijd maar weer die volwassen wereld door de ogen van een kind dat alles ziet en alles maar zo’n beetje begrijpt… Beproefd procedé van SV.

‘Symfonie van Victor Slingeland’:

  • Het glinsterend pantser (SVS 1)
  • Open boek (SVS 2)
  • De arme Heinrich (SVS 3) – kolossaal relaas over de vriendschap tussen een wereldberoemde dirigent en zijn ‘onderdanig’ luisterend oor.

Historische romans:

  • De nadagen van Pilatus – Pontius Pilatus in Rome, ná zijn hoofddaad. Enkele zeer scabreuze scènes aan het geperverteerde keizershof.
  • De vuuraanbidders – vuistdijk meesterwerk over Leidse jongens die in ‘Duitsland’ meegezogen worden in de gruwelijke Dertigjarige Oorlog. Page-turner.
  • De held van Temesa – in de Griekse oudheid, met een plot dat niet zou misstaan in een aflevering van Midsomer Murders.
  • Puriteinen en piraten – 17e-eeuwse zeerovers en handelaren uit de Nederlandse kolonie (‘New York’) vormen de figuranten in o.a. een van de meest angstwekkende beschrijvingen ooit van een vliegende storm rond de Kaap. Pagina’s lang staat de lezer het angstzweet in de handen. De film Master and Commander, met Russell Crowe in de hoofdrol? Nou, zoiets, maar dan alleen letters op papier. T.C. Boyle kan ook zo beeldend schrijven; verder zou ik niemand kunnen noemen.

Tweede Wereldoorlog:

  • Pastorale 1943 – de Tweede Wereldoorlog was koud afgelopen of SV had zijn roman alweer klaar, waarmee hij ongenadig het amateuristische verzet in een plattelandsdorp te grazen neemt.
  • Bevrijdingsfeest – kort daarna geschreven. Drama over gewone Nederlanders die hun leven moeten oppakken na WOII.
  • Het spook en de schaduw – Veel later (1966) geschreven. Een raadselachtige jongeman keert terug in zijn geboortedorp in de Oostenrijkse alpen uit Russische krijgsgevangenschap en moet zwaar getraumatiseerd zijn leven weer oppakken. Hetgeen op een grandioze catastrofe uitdraait. Onterecht ‘vergeten’ roman, want Vestdijk karakterologisch in topvorm: de beschrijving van de (bijfiguur) burgemeester van het dorpje Welfs bijvoorbeeld is vlekkeloos, hilarisch en indringend. (Naschrift JJdM 25/10/17)

SV en controverse:

  • De schandalen – heuse Kamervragen over een roman… Kom daar nog eens om. Op het Binnenhof wilde men wel ’s weten waar de heer Vestdijk te Doorn de inspiratie vandaan haalde voor een geheime reactionaire vriendenkliek die in Nederland de touwtjes in handen heeft en elkaar de bal toespeelt.
  • Een alpenroman – zeer boeiend, liefdevol relaas van een lesbische relatie. En dat in Nederland in 1961.

Losstaande romans:

  • De kellner en de levenden – groots meesterwerk. Fantasmagorisch relaas van de Dag des Oordeels. Hugo Brandt Corstius kon er maar niet over uit dat de romantitel alleen maar ‘e’s’ als klinker had.
  • Op afbetaling – beetje Dostojevski in de polder: begint met een moord door een bedrogen advocaat. En dan?
  • Juffrouw Lot – schitterend verhaal in 3 delen en 3 schrijfstijlen: met geslaagde gebruikmaking van stream of consciousness.
  • Een huisbewaarder – sterk autobiografisch verhaal over man die aan een vriend vraagt thuis een oogje in het zeil te houden thuis terwijl hij op buitenlandse reis is. Binnen de kortste keren vergrijpt de huisbewaarder zich aan de dienstmeid.

 Verhalen

  • De bruine vriend – uit al die verhalen het mooiste voorbeeld van sterke vriend en ik-figuur.

 Poëzie

  • De uiterste seconde – uit mijn hoofd gezegd beslaan de gedichten van SV in totaal 1.700 pagina’s dundruk, met helaas vaak (voor mij) ondoorgrondelijke lyriek. In dit badwater doop ik slechts zo nu en dan een teen. Dit specifieke gedicht is echter een heel toegankelijke mijmering over de dood. Terecht een van zijn meest geliefde gedichten.
  • Mnemosyne in de bergen – immense gedicht(encyclus), een van mijn gekoesterde eerste drukjes. Van der Heijden (daar is-tie weer!) wist in De Movo Tapes ook wel raad met het gegeven van de muzen uit de Griekse mythologie.

Muziekessays

SV schreef zo lucide en met kennis van zaken over muziek dat quotes van hem o.a. in het lemma Sibelius in de Grove’s Dictionary of Music and Musicians terecht kwamen. SV schreef talloze essays, w.o. complete boeken, later verzameld in 10 liefdevol uitgegeven bundels. De gevestigde muziekwereld in Nederland vond deze amateur natuurlijk een affront. Wat de kwezels indertijd vooral stoorde was SV’s eigen ‘gedifferentieerde muziekkritiek’: hij deelde cijfers uit aan composities, delen ervan, thema’s enz. ‘Het scherzo uit de 2e symfonie is beter dan dat uit de 4e omdat enz. enz.’ Mijn favorieten:

  • 1960 – Gustav Mahler
  • 1962 – De symfonieën van Jean Sibelius
  • 1963 – Hoe schrijft men over muziek?
  • 1966 – De symfonieën van Anton Bruckner

Wetenschappelijk werk

  • De toekomst der religie – staat in de kast maar ik deins er al 25 jaar voor terug. Overigens kom je dit boek als inspiratiebron op de gekste plekken tegen, o.a. voor Wim Verstappens verweerschrift tegen de afkeuring (door de Filmkeuring) van de film Blue Movie.

Autobiografie (?)

  • Gestalten tegenover mij – lucide en humoristische karakterschetsen van beroemde figuren (kennen we hen nog?) uit de vrienden- en kennissenkring van SV, met verrassend weinig SV zelf. Jan Greshoff, Menno ter Braak, Martinus Nijhoff, E. du Perron, Willem Pijper en ga zo maar door. Een Fundgrube. Mooi te combineren met Zachtjes knetteren de letteren van Jeroen Brouwers.

Om mee te beginnen

  • Hugo Brandt Corstius & Maarten ’t Hart: Het gebergte. De tweeënvijftig romans van S. Vestdijk. Nijgh & Van Ditmar/ De Bezige Bij, Amsterdam; gebonden, 235 blz.
Standaard