Muziek

Wandelend langs de platenkast 16

Vlees noch vis

Vaak genoeg in de 70s met de vinylversie in m’n handen gestaan, nooit gekocht. Er was altijd beperkt budget en een nog gewilder plaat om aan te schaffen. Het onduidelijke karakter van de Britse band Wishbone Ash speelde ook een rol. Was het een progrock band met folkinvloeden? Was het hardrock met een snufje blues of juist andersom?

Eén USP trok als een magneet: Wishbone Ash had twee sologitaristen, een bijzondere bezetting die je toentertijd bij The Allmann Brothers aantrof, verder nergens. De fascinerende hoes van Argus weerspiegelde het archaïsche (strijd, heldenmoed, opoffering) gedachtegoed dat uit sommige liedteksten opborrelde. Een prachtfoto maar ik kocht de plaat toch nooit.

De zeven songs op dit derde album, in verschillende gradaties van complexiteit, vormen volgens fans de kwintessens van Wishbone Ash. Iemand schreef zelfs dat Argus een onbetwiste ‘desert island disc’ voor hem is. Nou, nou. Het is ‘leuke’, Britse muziek uit die tijd. Beetje Yes, beetje Deep Purple, dan weer vleugje oude Fleetwood Mac en Caravan… maar wil de ware Wishbone Ash nu opstaan?

En verdomd, tussen de bonustracks van deze Expanded Edition (‘remastered en revisited’) gaan de sologitaristen Andy Powell en Ted Turner ineens snoeihard los in het stampende Jail Bait, een van de drie live opgenomen tracks, uit 1972 in Memphis, Tennessee. Snerpende feedback, lekkere licks van beide heren, afwisselend uit het linker- en rechterkanaal en weemoedig (ofschoon een beetje hees) gezongen door basgitarist Martin Turner. Een verademing tussen het ietwat zoetsappige idioom van de oorspronkelijke tracks.

De cd-transfer is werkelijk subliem. De akoestische gitaren uit de eerste track knallen de huiskamer in. Het geluidsbeeld is zeer ruimtelijk. Helaas dwalen je gedachten tijdens het beluisteren ook de ruimte in. ●●○○○

Gekocht: Saturn, Adalbertstraße 100, Aken. 1 cd. € 5

Vier muzikanten en een halfgod

Zelfs de onvermoeibaar optimistische Schubert moet wel eens wanhopig geweest zijn, zeker tegen het eind van z’n leven. Zulke hemelse muziek schrijven, in zo’n overstelpende hoeveelheid, en het publieke succes maar uitblijven. In een volgende poging om uitgevers over de streep te trekken sjouwde hij onder meer deze kolos in G-groot mee – een strijkkwartet van drie kwartier… – in de hoop het in druk te zullen zien en er geld mee te verdienen. Helaas. Het kwartet verscheen uiteindelijk in 1851, vierentwintig jaar na de dood van de componist. “…music was, as it still is, a hard profession”, sombert het cd-boekje.

Je moet onwillekeurig denken aan platenmaatschappij Decca, die The Beatles begin jaren zestig afwees omdat ze geen brood in de groep zagen. Maar dat kwam goed, zoals we weten, en Decca keek lelijk op zijn neus.

Bij Schubert niet. Hoe is het toch mogelijk. Schrokken vorm en inhoud dan zo af? Dit kwartet nummer 15, zijn laatste, is kolossaal en imponerend genoeg. Vingerafdrukken van Schubert all over the place. Terugkerend chiaroscuro, wanneer hij majeur en mineur afwisselt, en in het slotdeel een huppelend kort-langritme. We hebben het vaker gehoord. Rijkdom aan melodieën en harmoniek maken het anderhalve eeuw later tot een geliefd werk, niet zo populair echter als de toegankelijker nrs. 13 en 14. Alles kennelijk voor de salons begin negentiende eeuw een tikkeltje te veel van het goede.

Er bestaan naast de opname van het Alban Berg Kwartet nog vele tientallen platen en cd’s van. Deze Duitsers namen het in december 1979 op. Het ensemblespel is van grote klasse. De cd-transfer is voorbeeldig: zo wil je een ronkende cello horen! (Wat ben ik blij met m’n nieuwe luidsprekers!) ●●●●○

Gekocht bij Plaatboef, Nieuwe Binnenweg 81a, Rotterdam. 1 cd. Prijs € 2,50.

Engels unicum

Het leuke van elpees van Van der Graaf Generator beschrijven is de vrijbrief om alle superlatieven uit de kast te halen die je gratis erbij krijgt. Want deze Engelse muziek gaat alle perken te buiten. Het is extreem, in alle betekenissen. Intiem is ondragelijk intiem, hard is oorverdovend hard. Lang is ellenlang. Zang is gegrom rondom de F-sleutel tot aan falsetto en gekrijs. Een saxofonist die alt- en tenorsax tegelijk bespeelt, een drummer die elke gelegenheid aangrijpt om eindeloos te syncoperen. Een organist die ook maar voor baslijnen zorgt. Een uniek amalgaam, sinds 1969 tot heden. De complexiteit van de (lange) composities maakt beluistering tot een totaalervaring. De songteksten zijn altijd doorwrocht poëtisch.

Met deze muziek word je niet rijk als Croesus, maar het publiek dat waarachtigheid en originaliteit boven alles stelt, draagt je op handen. Zo ook schrijver dezes. Het basiskwartet – gitaar/piano/zang, drums, sax/fluit, orgel – was nogal vreemd, zelfs voor de vruchtbare periode waarin popmuziek werd uitgevonden en ‘alles’ kon. Deze liveopname uit 1978 extreem noemen is niet bijster origineel, temeer daar een tijdelijke hiccup in de muzikale vriendschap zorgde voor exit organist, en de rode loper voor een power-bassist, een violist en een cellist/synth-speler… (Hoe verzin je het?!)

Marquee Club, London, 16 januari 1978. Warts and all mogen we wel zeggen, want in toen nieuwe nummers als Ship of Fools en Last Frame merken we luttele slordigheden. Omdat elke overdub een leugen is bleven ze staan. Ik schreef eerder: ‘Wat een oerkracht – A Symphony Orchestra For Punk City. Ik zag de heren ‘live’ [in 1978 dus] in het Rotterdamse Zuiderpark en zelfs ik werd omver geblazen. […] Kun je nagaan hoe het onvoorbereide deel van het publiek reageerde. Met stomheid geslagen, al was het maar omdat men die dag nog niets heftigers had gehoord dan Bob Geldof.’

Ik kocht de dubbelelpee toen ie verscheen in juli 1978, midden in de kersverse punkperiode, en moest telkens even bijkomen van het muzikale geweld. Later verscheen een enkele cd, in 2005 dan eindelijk deze dubbel-cd met het complete concert. Ik kom nu pas, dankzij m’n powerversterker en nieuwe luidsprekers, qua intensiteit in de buurt van wat men vierenveertig jaar geleden moet hebben meegemaakt in de Marquee. Ik heb aardig wat superlatieven tot m’n beschikking maar hier moet ik de pen neerleggen.

De medley Urban/Killer/Urban is ongehoord agressief. Het duet kick-drum/bas uit Sci-finance (‘Only the money…’) ontploft de huiskamer in en to hell with tinnitus. Nog maar een zelfcitaat: ‘Voor de toegift trakteert Van Der Graaf ons op een Götterdämmerunguitvoering van Nadir’s Big Chance. Je moet het gehoord hebben om het te kunnen geloven. Er zijn momenten waarop ik deze release beschouw als het beste Britse livealbum geproduceerd tussen 1970-1980.’ ●●●●●

Gekocht bij: onbekend. 2 cd’s. Prijs: onbekend.

Beluisterd met:

versterker: Yamaha A-S3000
cd-speler: Marantz UD-7007 (kabels: Purist Audio Design)
draaitafel: Thorens TD160 met Denon DL110 (kabels: Van den Hul)
luidsprekers: Stradivari Amantes (kabels: Ricable Magnus)

Advertentie
Standaard
School

Een staaltje miscasting van de bovenste plank

Alleen in de brugklas (1968/69) en in de eindexamenklas (1974/75) speelde ik rollen in twee volwaardige toneelstukken. Weinigen zullen ontkennen dat de middelbareschooltijd sowieso een dagelijkse vorm van toneelspel is, op een doldraaiend podium waarvoor een tweede natuur als acteur een pre is – maar daar gaat het hier nu niet om. Waar waren de echte toneelstukken tussen start en finish van mijn Erasmiaanse tijd? Ik heb er geen antwoord op.

Vervolgvraag: wat bezielde mij überhaupt om deze twee rollen op mij te nemen? Ik was indertijd een verre van prominente jongen, die zich meer op zijn gemak voelde in de coulissen dan midden in een volgspot. In het toneelstuk in de eerste klas moest ik notabene het dubieuze karakter van een zekere Frits uitbeelden, een figuur die je tegenwoordig een ‘player’ zou noemen. Een kind kon zien dat dit een staaltje miscasting van de bovenste plank was, waarvoor toen helaas niemand aandacht vroeg. Titel en auteur van de rammelende zedenschets zijn me ontschoten. Gelukkig maar, want het commerciële schrijfsel, bedoeld voor de laagste tree van amateurtoneel, was niet veel soeps, dat zagen we toen ook al.

Het toneelstuk in de zesde klas was andere kost, een Engels drama neergepend door een klasgenoot, met de onvergetelijke titel The Slakes of Lunacy. Het werk was in het idioom uit de tijd van Elisabeth I geschreven, jambische pentameters en al. Daarnaast vertoonde het een onmiskenbare gelijkenis met ‘the Scottish play’ van Shakespeare, compleet met een openingsscène waarin drie heksen rond een pruttelende kookpot een duivels brouwsel samenstellen. Desondanks een knap stuk werk van de 17-jarige auteur, die ten tijde van de première slechts drie aktes van de gebruikelijke vijf gereed had, zodat publiek en acteursgilde verstoken bleven van de afloop, maar dat drukte de pret geenszins. Drie of dertien aktes… het zal de toeschouwers een zorg geweest zijn. Taalgebruik en inhoud ging sowieso iedereen volledig boven de pet – wat overigens ook gold voor de cast – op die van Engelse leraar E. van Gendt na.

‘Verwekelijkt persoon’

Het idee in 1969 om het kluchtige niemendalletje ten tonele te voeren kwam uit de koker van Maurits de Savornin Lohman, die zichzelf in de gauwigheid een hoofdrol had toebedeeld. De cast bestond voorts uit Louise Twiss en Mary Westerduin en nog een enkeling die ik vergeten ben. Maurits vroeg mij voor de rol van Frits, en, onervaren als ik was, hapte ik gretig toe, zonder ook maar een letter van de tekst te hebben gelezen. Je wilt op die leeftijd ergens bij horen, nietwaar? Als Maurits had gevraagd of ik een ochtend wilde spijbelen om samen met hem het filiaal van de Verenigde Spaarbank aan de Frits Ruysstraat te beroven, had ik waarschijnlijk ook ja gezegd. Toen ik eenmaal had ingestemd en hij mij het tekstboekje had overhandigd, wees Maurits, die kennelijk het toneelstuk goed kende, mij met een lachje meteen op een frase halverwege een claus van hem: ‘Daar heb je Frits, met z’n flikkerstrikje…’  

Mary Westerduin in een moment van opperste vertwijfeling en Maurits de Savornin Lohman met inmiddels niet meer weg te denken gongklopper

Het was alsof de grond onder mijn voeten vandaan week. Ik had het akelige gevoel erin geluisd te zijn. Tegelijkertijd bekroop mij de angst voor een brandmerk gedurende de rest van de schooltijd, vanwege de smalende verwijzing naar dit kledingattribuut van een ‘verwekelijkt persoon’. (Wij waren nog een eind verwijderd van een woke-levenshouding.) Flikkerstrikje! Dit zou niemand ooit vergeten. Tot aan het eindexamen zou ik dagelijks worden nagewezen en werd achter mijn rug dat ene woord gelispeld. Het vooruitzicht was té erg voor een jongen van dertien.

Vroegrijp

Uiteindelijk viel op de avond van de voorstelling de gêne over het strikje geheel in het niet bij het moment waarop mede-actrice en klasgenote Louise Twiss en ik elkaar dienden te omhelzen en de liefde te verklaren. Op dat punt werden de tekstregels door mij almaar lastiger over te brengen zonder van schaamte flauw te vallen. Onze verrichtingen werden zo mogelijk nog grotesker door het feit dat vroegrijpe en bepaald niet onknappe Louise zeker tien centimeter groter was dan ik. Dientengevolge moest ik, bebrild en al, noodgedwongen van dichtbij oog in oog staan met haar zeer geprononceerde welvingen. Wij leken op een getekend grapje uit de Lach, van de kleine echtgenoot en zijn kolossale vrouw; zij met een deegroller in de aanslag.

Op de enige foto van deze scène die mij bekend is zie je ‘Frits’ instinctief terugdeinzen, waarbij Louises omstrengeling zowel verrassende gretigheid tentoonspreidt, geacteerd of niet, als ook alledaagse routine. Louise had al eens opzien gebaard door tijdens een diavoorstelling door W. Backhuys (biologie), in een verder goeddeels verduisterd lokaal, ‘vol op de bek te gaan’, in het idioom van die tijd, met tweedeklasser Gijs ten Cate, schuin achter mij. Dat beeld achtervolgde mij nogal, tot aan de avond van de voorstelling aan toe, toen ik haar ten overstaan van iedereen in mijn armen moest nemen, midden op het toneel van de aula op de eerste verdieping. Goddank ontbraken in de regieaanwijzingen teksten als [kussen elkaar gepassioneerd, wellustig tongend, Frits neemt achterwerk stevig in handen… enz.] dus dat is mij bespaard gebleven.

Verrassende gretigheid…? Omstrengelde Frits, licht verbijsterd door aanblik

Maurits de Savornin Lohman, zoals altijd huppelend als een kwikzilveren faun, sloeg zich gedurende de avond met het grootste gemak door zijn lijvige lappen tekst heen. Hilariteit riep hij pas op zodra hij ook een gong moest luiden, welk attribuut inderdaad zijn weg had gevonden naar het toneel, waarna hij vergat de vilten klopper weer neer te leggen. Onnadenkend bewoog hij zich de rest van zijn talloze clausen breed zwaaiend met het ding over het plankier, alsof het een verlengstuk van zichzelf was geworden.

Staande ovatie. Althans, dat stel ik me zo voor, meer dan een halve eeuw later.

Bijgelovig

Ik schreef met opzet ‘the Scottish play’, want onlangs stuitte ik in The Lincoln Highway van Amor Towles op de gewoonte in de toneelwereld om Macbeth met dit epitheton aan te duiden, wegens het onheil dat hardop gebruik van die naam brengt. Dat was nieuw voor mij, ik neem het voetstoots aan. Toneelspelers zijn bijgelovig, dat wist ik al wel, maar deze kende ik nog niet.

In dit verband zij vermeld: in de recente, zeer vrije enscenering van Von Webers Die Freischütz door de Nationale Opera is de rode draad – bovenop het vroeg-romantische liefdesdrama geplakt – een cast van nerveuze operazangers die zich gereed maakt voor de opvoering van het faustiaanse origineel. Uit het programmaboekje kwam onder meer naar voren: achter het toneel een deuntje fluiten brengt ongeluk, ‘dank je wel’ zeggen als iemand je ‘toi toi toi’ wenst eveneens. Echte bloemen op het toneel in plaats van kunstbloemen is een no-no; gebruik van spiegels idem dito.

Met dirigent noch regisseur voer je een gesprek op de dag van de voorstelling… dat doe je niet. Dan kun je net zo goed meteen naar huis gaan want een decorstuk zal op je hoofd vallen of je zult een inzet missen. Kleedkamer nummer 13 blijft altijd leeg, dat is zo klaar als een klontje.

Wisten wij veel, decennia geleden? Voorafgaand aan de opvoeringen van de klucht én het drama, waar zes jaar tussen zat, kletsten wij met de regisseur, floten wij melodieën in de coulissen en bedankten wij eenieder ruimhartig die ons succes wenste. Misschien daarom wel ging er van alles mis tijdens de voorstellingen.

‘Chic’

In The Slakes of Lunacy van de hand van – op een andere manier dan Louise – voorlijke Reinier Speelman, figureerden onverschrokken helden, schone jonkvrouwen en lugubere tegenstrevers, zoveel wil het geheugen nog wel prijsgeven, maar voor de finesses van de verhaallijn moet u bij de auteur zijn. Speelman – niet langer Reinier maar op z’n Italiaans Raniero – koos na het Erasmiaans niet voor een studie Engels maar voor Italiaanse taal- en letterkunde. Immers, wat had een Engelse faculteit hem nog moeten leren? Hij promoveerde op een Italiaanse vertaling uit de Renaissance van een acht eeuwen oude beschrijving van de dierenwereld en ontwikkelde zich onder meer tot een Primo Levi-expert van formaat (https://www.uu.nl/medewerkers/RMSpeelman/Publicaties).

Zover was het nog niet in 1974. Op zijn Engelse literatuurlijst in de zesde klas had Reinier enkele boeken van William Morris staan, van wie verder niemand in de wijde omtrek van het Erasmiaans ooit had gehoord. Hij verslond Angelsakische teksten en dweepte al met prerafaëlieten toen wij nét snuffelden aan The Old Man and The Sea. Als hij een goede bui had, bulderde hij iets in het Oud-IJslands, compleet met angstaanjagende keelklanken. Zo’n jongen dus. Elke generatie op het Erasmiaans heeft er minstens één.

Bespottelijke uitspattingen

Met Reinier en zijn collega-wonderkind Arthur Sieders beleefde ik in Leiden mijn eerste ‘echte’ lunch, in een restaurant waarvoor ik het gehate woord ‘chic’ zou willen gebruiken – telg uit een upper lower class-gezin die ik ben, waarin kostbare etentjes zowel tot de financiële onmogelijkheden als tot de bespottelijke uitspattingen behoorden.

Wij waren eerstejaars in Leiden en keken onze ogen uit, althans ik zeker. Er lag damast op de tafels en in onze schoten, de koele witte wijn walste in kristallen glazen, het tafelzilver blonk en in onze ogen schitterde de weerschijn van flakkerende kaarsen. Kelners in smoking liepen af en aan en willigden terstond al onze wensen in. Wij blonken uit in spitsvondigheden en mijmerden over hoe en wanneer wij de wereld versteld zouden doen staan, niet óf. Dat duurde tot ik voor het eerst in mijn leven de twijfelachtige gesteldheid had bereikt van pure dronkenschap op klaarlichte dag.

Raniero Speelman, een halve eeuw na zijn balanceeract op een ‘slake of lunacy’

Beneveld door de wijn, zeker, maar ook door elkaars woorden en door de camaraderie van het moment, in vergelijkbare mate. Dat gold ook voor Speelman en Sieders, blijkens de geproduceerde decibels en de manier waarop de eerste met enige zwier zijn afsluitende kopje sterke koffie over het hagelwitte tafellaken zwiepte. Dat leidde tot een enorme bruine vlek, die de aanstichter ervan in zijn alcoholische hulpeloosheid wrijvend allengs vergrootte, in de vergeefse hoop de ravage ongedaan te maken. Wij rekenden stilletjes af en knipperden buiten tegen het hinderlijke zonlicht.

El Cid

De El Cid-week is een waterscheiding in het leven van iedere Leidse student, maar als je die met Arthur Sieders mag beleven is ie onuitwisbaar als een tatoeage. Zo schreven wij ons beiden in voor een proefles bij de Leidse Studenten Schermvereniging, onder leiding van een echte maître. Dat leek ons een gepaste ridderlijke start van onze studietijd. Wij kozen, na een luttele instructie, voor het wapenonderdeel sabel. Daarmee mocht men tenslotte ook ‘slaan’, naast ‘steken’.

Zelfs met een schermmasker op en borstbescherming omgebonden bleek het toch een – ik kan het na een halve eeuw niet anders omschrijven – traumatische ervaring om op de schermmat het vege lijf te moeten redden, met Arthur Sieders die met het delicate wapen als ware het een kloofbijl op je inhakt. Zag ik hem achter zijn masker schuimbekken? Ik sluit niets uit. Ik nam het hem niet kwalijk: Sieders was op dat moment niet in Leiden, maar bevond zich op een slagveld in het Teutoburgerwoud, als Romeinse centurion omringd door Germanen waarvan ik er één was. Diezelfde avond stortten wij ons in andersoortige cultuur. Dat concert van een studentenorkest in een Leidse kerk is even onvergetelijk, omdat Sieders voor aanvang zo’n beetje in het wilde weg luidkeels bij de strijkerssectie informeerde: Zo meisjes, ik hoop dat jullie een beetje gerepeteerd hebben?

Hermetische inhoud                                                                                                      

Maar goed, nog geen zes maanden eerder waren wij een eeuwigheid jonger geweest, toen wij The Slakes of Lunacy opvoerden. Zoals verwacht leverden eind-zestiende-eeuws Engels, hermetische inhoud en onaffe status van het stuk serieuze hindernissen voor kunstzinnig genot op, zowel voor het publiek als voor de uitvoerenden. Dat hadden wij voorzien. Daarom was de tekst in honderdvoud gekopieerd en bij de ingang van de aula uitgedeeld. Tijdens de voorstelling kon het publiek de tekst rustig meelezen; een beetje zoals bij de Mattheus (‘Zie je daar die nietjes, schat, dan hebben we de helft gehad’) Passion.

De aula zat stampvol. Nooit vergeet ik het geruis van meer dan honderd pagina’s die op exact hetzelfde moment worden omgeslagen, in een verder muisstille zaal. Dat maak je maar een keer in je leven mee. Men was onder de indruk van wat hun aan onbegrijpelijks werd voorgeschoteld, dat moet het geweest zijn.

Ik zou graag willen claimen dat de cast zijn doorwrochte strofes uit het hoofd had geleerd. Niets van dat al. Tijdens de eerste repetitie hadden wij snel bepaald dat ook de acteurs, weliswaar verkleed en geschminkt, hun tekst van A4’tjes zouden oplezen. Dat kwam het acteren bepaald niet ten goede, maar voorkwam wel gehakkel en dodelijke hiaten in de voordracht.

Van een vriend had ik een zwarte, met rood satijn gevoerde cape geleend. Ik had een bruine snor geschminkt en daarmee wás ik als bij toverslag een ‘Shakespearean actor’. Mijn tegenspeelster, op wie ik op het bezetene af verliefd was, dreunde net als de rest ijverig haar teksten op. Ik kan me Nel Pak herinneren die compleet in haar rol van heks opging.

Aan het eind van Acte III bleek, zonder dat ik het wist, een punt van de cape klem te zitten onder een houten decorstuk (een struik) waarachter ik mij half verschool. Toen ik tevoorschijn moest springen, geheel volgens de regieaanwijzingen, deed ik dat met de slapstickmotoriek van iemand die aan een onzichtbaar elastiek vastzit. De zaal had niets in de gaten, verdiept als men was in de tekst, maar één bulderende lach vanuit het lerarenkorps op de eerste rij bereikte het toneel, die van Engelse leraar E. van Gendt. Hij kon de onbedoelde knipoog naar vaudeville uit het interbellum ten volle waarderen. Na afloop nam hij mij apart en prees mij bovenmatig om mijn acteerwerk uit de school van Laurel & Hardy. De tranen van het lachen blonken nog in zijn ogen.

Of ik aan het einde van het treurspel mijn tegenspeelster definitief tot de mijne had mogen rekenen of dat wij net als de hoofdrolspelers in ‘the Scottish play’ ten onder zouden zijn gegaan in een draaikolk van bloederig geweld en krankzinnigheid, weet alleen Raniero Speelman. Bij mijn weten zijn Acte IV en V altijd onvoltooid gebleven. Met het vriendinnetje en mij liep het in het echte leven niet goed af: na één week in Leiden was het uit. Of het was juist wél een bevredigend slot, ligt er maar aan hoe je het bekijkt na vijftig jaar.

Vakman

Ik zou het bijna vergeten, maar ik bewaar ook prettige herinneringen aan de tragedie Hippolytos van Euripides, waarmee wij in ons laatste jaar nog even korte metten moesten maken, vertalingsgewijs dan. Ons Griekse onderwijs was maandenlang non-existent omdat leraar W. Tacx ernstig ziek thuis zat. Het duurde lang aleer een vervanger werd ingevlogen, de gepensioneerde leraar Wertheim. Tot dien was Griekse les in het eindexamenjaar simpelweg een kwestie van zelfredzaamheid geweest en dat is niet de sterkste kant van tieners. Wertheim was geen onvriendelijke, maar een ietwat kleurloze figuur van twee generaties eerder. Een vakman ongetwijfeld, op het gebied van de letteren dan, niet als pedagoog.

Het klikte niet tussen hem en het quasi-sektarische 6-alfa, bestaande uit welgeteld dertien rusteloze bijna-mensen wier denkwereld – op basis van Wim T. Schippers, Frank Zappa en Neerlands Hoop – mijlenver afstond van de dagelijkse realiteit te midden van een overkill aan dode talen. Als Wertheim het woord ‘reeds’ bezigde, zat 6-alfa te kronkelen van de lach in hun stoeltjes. Hij snapte er niets van en neem het hem ‘s kwalijk.

Hippolytus in hoge nood in de fantasie van Lawrence Alma Tadema

Rector Van der Velde moest op zeker moment als mediator optreden en ons tot de orde roepen, wat hij op een zodanig zachtaardige wijze volbracht, een eigenschap hem tot dan wezensvreemd, dat wij zowaar een bres in diens plaatstalen voorkomen ontwaarden. Immers, het zou wat wezen als ‘de’ dertien alfa’s van het venerabele Erasmiaans Gymnasium collectief hun Griekse eindexamen zouden versjteren nadat het hen simpelweg aan onderwijs had ontbroken in hun laatste jaar. De Coolsingel zou zich doodlachen. Van der Velde zei het niet maar suggereerde het wel. Ons werd in één klap duidelijk dat het gezichtsverlies ook voor ons individueel zou gelden en we zetten ons beste beentje voor.

Stier

De heer Wertheim begon met een schone lei, en wij ook! Hij beval ons onze Euripides ter hand te nemen, de crisisuitgave op A5-formaat op Oostblokpapier die wij verplicht hadden aangeschaft, en nam allereerst met ons die complete Hippolytus door, van a tot z. Hij gaf per pagina aan door welke monologen, dialogen en koren wij een dikke streep konden plaatsen. Hoefde niet vertaald te worden! Geen tijd te verliezen! Kijk, dat schoot lekker op.

Zo konden wij aan het eind van onze schooltijd wel degelijk verklaren dat wij een Griekse tragedie hadden gelezen, zij het in dermate gecoupeerde vorm dat alleen de mythologisch goed onderlegde klasgenoot van het verhaal nog chocola kon maken. Aan het oorspronkelijke relaas van Theseus’ zoon en zijn tragische dood was dankzij het rode potlood geen touw meer vast te knopen. Daarom ging het dan ook niet, meen ik. Wij hoefden geen begrip te veinzen als wij Latijnse of Griekse teksten ontcijferden, noch het een en ander uit te beelden in de aula.

Kuststrook

Achteraf bezien toch jammer, dat laatste. Want als iemand mij had gevraagd de rol van Hippolytus op me te nemen, ik had subiet ja gezegd. Stel je die aula eens voor, waarin je een speld kon horen vallen. Om op een zesspan gezeten, racend langs een denkbeeldige kuststrook, te worden overvallen door een uit het brein van gramstorige Poseidon ontsproten dolle stier en daarna te worden meegesleurd, verstrikt in de leidsels, de halfdood tot gevolg hebbend… terwijl je stiefmoeder Phaedra heimelijk verliefd op je is, óók nog eens. Ik zou geen moment getwijfeld hebben.

Ik zou alleen het lef hebben moeten opbrengen om Louise Twiss, toen al jaren op een andere school, tot een eenmalig gastoptreden te bewegen, in de tragische rol van die Phaedra. Zij was er qua postuur en theaterpresence geknipt voor. Dan was mijn middelbareschooltijd volmaakt geweest.

(Verscheen in september 2022 in Tolle Belege, het alumniblad van het Erasmiaans Gymnasium)

Standaard
Krant

‘Ketterdetective’ en eeuwige vrijgezel vond het liefdesgeluk

Michiel Wielema was meer dan een kwart eeuw een hoekig-hartelijke vriend. Desondanks geen hechte vriend: wij konden elkaar jarenlang met gemak negeren om daarna de draad simpelweg weer op te pakken. Het contact was vooral van intellectuele aard en dat was prima: niet met iedere vriend hoef je per se relatieproblemen en de voetbaluitslagen te bespreken.

Daarnaast was hij ’n persoon wiens levenspad zo vaak het mijne kruiste, dat je op een bepaald moment denkt dat er hogere machten in het spel zijn – onmogelijk, omdat hogere machten nu eenmaal niet bestaan; maar toch…

Het wiegje van M.R. Wielema (1959-2018) stond in Rotterdam-Kralingen. Hij doorliep de gymnasiumafdeling van het Libanon Lyceum in Kralingen, dezelfde school waarop mijn dochter het vwo afrondde enkele jaren terug.

Wielema studeerde filosofie aan de Erasmus Universiteit, nota bene aan dezelfde faculteit als waar ik tezelfdertijd een jaartje ingeschreven heb gestaan als student; terug rekenend moeten hij en ik in 1979 tijdens colleges Kenleer of Filosofiegeschiedenis de banken hebben gedeeld, zonder elkaar ook maar in het voorbijgaan te groeten. Ik kon me hem niet herinneren en vice versa. Dit kwam allemaal pas veel later aan het licht.

Opzoomerstraat

Ik schudde Michiel voor het eerst de hand toen ik hem in 1991 ‘voor de krant’ (De Ster) interviewde omtrent zijn eerste majeure publicatie, Filosofen aan de Maas (Kroniek van vijfhonderd jaar wijsgerig denken in Rotterdam), een lezenswaardig relaas over de meest uiteenlopende filosofen die de verder zo prozaïsche en ‘nijver werkende’ Maasstad heeft voortgebracht. Hij was blij verrast toen we er gezamenlijk achter kwamen dat een door hem in kaart gebrachte filosoof, Cornelis Opzoomer (1821-1892, jurist, filosoof, logicus en theoloog) een voor die tijd sterk ontwikkeld sociaal gevoel bleek te hebben gehad, wat een eeuw later een vervolg had gekregen: in de naar hem vernoemde Opzoomerstraat te Rotterdam namen in de jaren negentig bewoners het voortouw om hun verpauperde buurt eigenhandig op te knappen… wat elders navolging kreeg en uiteindelijk leidde tot het werkwoord ‘opzoomeren’.

Michiel Wielema verschafte vanaf die tijd de krant filosofisch getinte columns, naast historische verhalen omtrent de geschiedenis van de Rotterdamse wijk Kralingen, zeg maar het Aerdenhout van Rotterdam. Een gebundelde uitgave verscheen in 1995 en was een ‘instant hit’, ofschoon slechts een lokale bestseller.

Wielema’s (Nederlandse) schrijfstijl ontwikkelde zich in die tijd tot vlekkeloos charmant, met een moeilijk na te bootsen onderkoelde ironie. Vingeroefeningen die hem later goed van pas kwamen.

Op 27 april 1999 mocht ik paranimf zijn op Michiels promotie aan de VU Amsterdam, op het onderwerp Ketters en verlichters, bij promotores Willem Frijhoff en Gerrit Jan Schutte. Michiel had zich inmiddels als onderzoeker comfortabel genesteld in een smalle niche in de Nederlandse theologisch-filosofische geschiedenis, die van de zeventiende-eeuwse ketters binnen de gereformeerde kerk. Geen afvallige predikant in Zwolle of heimelijke Spinoza-aanhanger te Haarlem, of Michiel had hem in het vizier. Hoe obscuurder de persoon hoe beter. En let wel, in die zogenaamd ‘tolerante’ Gouden Eeuw de officiële leer van de protestants-christelijke kerk kritisch beschouwen of ter bespreking stellen in een geschrift, kon je met gemak op een decennium rasphuis komen te staan.

Die promotiedatum trouwens, 27 april, is behalve de geboortedag van onze vorst, ook die van mijn partner, de moeder van Floria. Toevallig. (Ook toevallig: Frijhoffs dochter Laia was een collega van mij.)

Goddelijkheid van Christus

Een en ander leidde onder meer tot, in alle bescheidenheid, wat we Michiel Wielema’s magnum opus mogen noemen: de ‘hertaling’ en aansluitende vertaling in het Engels van Een Bloemhof van allerley Lieflijkheyd sonder verdriet (A Flower Garden of All Kinds of Loveliness without Sorrow) van Adriaan Koerbagh. Het woordenboek met definities van politieke en religieuze maar ook geneeskundige en juridische termen, uit 1668, veroorzaakte destijds een grote rel in Amsterdam. Koerbagh schreef het onder het pseudoniem Vreederijk Waarmond, maar dat weerhield de autoriteiten niet om de steller van controversiële ideeën over bijvoorbeeld de Heilige Drie-eenheid en de ‘vermeende’ goddelijkheid van Christus te herleiden tot de dappere Koerbagh: dat leverde de man tien jaar opsluiting op, een boete van 4000 gulden en verbanning uit Amsterdam.

Michiel bleef die hardnekkig eigenwijze figuren, vaak minder dan voetnoten in de Nederlandse geschiedenis in de slagschaduw van Baruch de Spinoza cum suis, met een stoïcijnse volharding opsporen en beschrijven.

Ook hijzelf was zo’n onaangepaste, volgens sommigen zonderlinge figuur. Altijd in korte broek, zich verplaatsend op de fiets.

Michiel verbleef ’s zomers bij voorkeur op zijn volkstuin in Kralingen, waar hij een trouwe schare volgelingen aan zich bond, bestaande uit de vogelsoort ‘mus’, door hen tweemaal daags op vaste tijden te verwennen met kolossale hoeveelheden olienootjes. Je trof hem daar aan in een tafereel dat, op een lange bruine pij na, geknipt was voor de Heilige Franciscus van Assisi.

Het hysterische gekwetter van honderd mussen die smeken om hun pinda’s tart elke beschrijving. Wie luistert naar de trillers in het pianostuk St. François d’Assise: La prédication aux oiseaux van Franz Liszt krijgt een idee.

De enige ‘vaste baan’ die Michiel ooit heeft gehad was als research fellow bij de hoogleraren Han van Ruler en Wiep van Bunge aan de EUR. Daar zat helaas voor Michiel een onderwijsverplichting aan vast. Nu eens een groep eerstejaars Filosofie lekker maken voor de studie zat geheel niet in zijn aard. Zijn latere vriend Bart Leeuwenburgh zat met enkele getrouwen vergeefs in een zaaltje te wachten op de docent en diens inleiding in de protestantse ketterij. Toen universiteitsofficials poolshoogte gingen nemen waar hun personeel uithing gaf Michiel door dat hij “het college glad vergeten was”.

Michiel leidde een zo spaarzaam leven dat een werkgever onnodig leek. Ik vroeg nooit hoe hij zich financieel redde. Ik keek ’s zomers wel eens met jaloerse blik naar hem als hij zo bruin als een melkchocoladereep vrolijk zwaaiend voorbij fietste op weg naar God knows where. De bundel columns die het denkwerk tijdens de afgelegde kilometers onder meer opleverde, Op de fiets naar het Al-Ene, deed het slecht in de boekwinkels.

Hoewel hij zich jaar in jaar uit onderdompelde in religieuze geschriften, had Michiel een hartgrondige hekel aan alles wat met de kerk te maken had. Wiep van Bunge herinnerde zich dat tijdens een werkbezoek aan St Petersburg zij op de achterbank van een taxi een op het trottoir wandelende monnik in pij passeerden, de aanblik waarvan Michiel tot een dierlijk grommen aanzette. En dat was niet de eerste keer. Contact met de kerk leidde steevast tot luidkeelse afkeuring.

Collegebanken

Nog niet zo lang geleden, enkele jaren maar, kwam een verbluffende maar heugelijke tijding uit het isolement van de ketterdetective. Via een pas ontwikkeld digitaal platform had hij de vrouw van zijn dromen ontmoet. Zij gingen trouwen. Vijftigplusser en zelfverklaarde heremiet Michiel gaat zijn boterbriefje halen? Verbazing alom. Vooral toen ik de naam van de beoogde echtgenote hoorde en er terstond allerlei belletjes gingen rinkelen: ken ik haar niet ergens van? Lang verhaal in het kort: de echtgenote in spe bleek zowel een oud-collega van mijn partner bij een antidiscriminatiebureau in Rotterdam in de jaren negentig, als een studente met wie ík, nóg veel eerder in Leiden midden jaren zeventig, de collegebanken had gedeeld toen wij Engelse taal- en letterkunde studeerden.

Nog steeds toeval. Wat zou het anders moeten zijn?

Tot zover de grappige anekdotes. Bij Michiel Wielema was inmiddels het syndroom van Mounier-Kuhn geconstateerd. Een aan COPD gelieerde afwijking van de longen. Michiel was ten dode opgeschreven… tenzij hij op ‘de lijst’ kwam voor een longtransplantatie. In het ErasmusMC kwam Michiel met vlag en wimpel door alle screenings heen. Nooit gerookt immers, geen alcohol, fietsconditie als een paard. Totdat ook nog een keer lymfeklierkanker werd geconstateerd. Het definitieve doodvonnis.

Boekenfanaat Michiel ontwikkelde bij het scheiden van de markt zijn allerlaatste boekenverslaving: The Loeb Classical Library (Harvard University Press), een serie van 530 deeltjes met werken van bekende tot uiterst obscure Griekse en Latijnse schrijvers in de oorspronkelijke taal én een Engelse vertaling. Van de val van Troje door Quintus Smyrnaeus tot de Argonautica door Apollonius Rhodius… ga zo maar door. Hij moest en zou ze allemaal hebben. Bij zijn overlijden stond de teller op circa honderd.

Koddig

Vierentwintig uur voor zijn dood – hij wilde geen bezoek meer ontvangen – steggelden Michiel en ik nog als volleerde antiquaars per e-mail over de prijs van de meerdelige werken die ik van hem zou overnemen: de Oxford English Dictionary (20 delen) en het Woordenboek der Nederlandse Taal (40 delen). Het is een wrange maar o zo koddige e-mailwisseling die ik nooit zal verwijderen. We werden het eens over de prijs.

De laatste e-mail bevat een PS: ‘Gisteren van ellende bijna het loodje gelegd en ik val dramatisch af.’

Op 21 februari 2018 overleed Michiel Wielema.

Geschreven in 2018

Standaard
School

Een vingerguillotine, graaf Tolstoj en een klap in het duister 

O Muze. Geen slecht begin, zeg nu zelf. Er was eens een jongen van zestien genaamd Frits, die zijn oog had laten vallen op een meisje van veertien, Charlotte. Dat wist iedereen. Maar ze hapte niet toe. Op een feestje, zo rond 1972, nam het lieftallige meisje plotseling plaats op de schoot van de goedmoedige Helmut, uit dezelfde hechte vriendenkring, en sloeg haar arm om zijn hals. Het is niet meer goed gekomen tussen de twee jongemannen Frits en Helmut. Een vete had een aanvang genomen, die tot ver in de eenentwintigste eeuw voortduurde.

U denkt dat ik dit uit mijn duim zuig, net als de voornamen* uit de eerste alinea? Een jaar of vijf geleden liep ik tijdens een receptie in Amsterdam de destijds zo uitdagende ‘Charlotte’ tegen het lijf. Een verrassend weerzien na al die tijd, ik was stomverbaasd haar uitgerekend dáár weer te ontmoeten. Inmiddels had zij, even rijzig en charmant als zij in mijn geheugen was opgeslagen, een goede vervolgopleiding genoten en doorliep zij een professionele carrière om u tegen te zeggen. Haar naam staat in het colofon van een landelijke krant.

Charlotte droeg, uiteraard, de geschiedenis van een mensenleven met zich mee. Maar zoals zo vaak bij ontmoetingen met oud-schoolgenoten schoten wij na een moment automatisch in de gymnasiale verhoudingen van eertijds. Meer gezamenlijke geschiedenis hebben we immers niet. Het scheelde weinig of ik had geïnformeerd of zij de avond tevoren voldoende Griekse woordjes had gestampt.

Wie het onderwerp aansneed weet ik niet meer — ik geloof niet eens dat ik het was — maar Charlotte kon zich de gebeurtenissen tijdens dat feestje vijfenveertig jaar eerder haarscherp voor de geest halen. Zij voegde er een mij onbekend detail aan toe, dat de boel radicaal op z’n kop zette.

Het gesprek ter receptie was kort, maar had toch voor driekwart het beruchte partijtje uit 1972 als onderwerp gehad, de casus belli van een mensenleven. 

Relikwieën

Je zou verwachten dat een halve eeuw na de diploma-uitreiking je middelbareschooltijd intussen is ingehaald door gebeurtenissen uit daaropvolgende decennia van meer belang, zodanig dat de heroïsche daden en hevige emoties, de blamages en gelukzaligheden van toen het hebben opgegeven om te komen spoken. Studie, relaties, kinderen, professie, nieuwe vrienden, reizen naar exotische oorden, ziekte, aftakeling, dood… Achter een kaasdoek van recentere herinneringen zullen de weinig beduidende voorvallen uit het adolescentenleven toch inmiddels wel verworden zijn tot onherkenbaar geërodeerde relikwieën?

Integendeel. Mnemosyne is een vrouwelijke achtervolger van de hardnekkige soort. Een stalker, zou je haar nu noemen, die er genoegen in schept op de meest ongelegen momenten op te duiken en je te wijzen op soms komische maar veeleer pijnlijke voorvallen uit je tienertijd. En hoe ouder je wordt, hoe frisser de Moeder der Muzen je tegemoet lijkt te treden. Een blauwtje op een schoolfeest, een faux pas in een groot gezelschap of een onverwachte overhoring — vóór de klas! — terwijl je de avond tevoren slechts tv had gekeken… dergelijke futiliteiten uit het leven van een vijfenzestigjarige voert Mnemosyne onverhoeds ten tonele, bij voorkeur tijdens een lange autorit, onder het beluisteren van een pianorecital, pal voor het slapengaan… En zij komen nimmer als geroepen en dijen in een mum van tijd uit tot evenementen van enorme proporties.

Arrogante bullebak

Een van de oudere jongens — het moet 1968 geweest zijn — was de onder brugklassers gevreesde Willem. Hij was een bebrilde dokterszoon uit het betere Rotterdamse milieu, immer gehuld in het uniform waaraan de bewoner uit die contreien zo gemakkelijk te herkennen was: bordeauxrode pullover, wit overhemd, grijze wollen pantalon en brogues, inclusief het ongekamde wie-doet-me-wat kapsel dat nog steeds opgeld doet in die kringen. Hij heeft uiteindelijk een glansrijke carrière gemaakt in de rechtspraak dus hij is, van een afstandje bezien, goed terecht gekomen. Een halve eeuw geleden echter was hij een arrogante bullebak, om wie ik als eersteklasser met een wijde boog heen liep.

Het was indertijd gebruikelijk om ‘s ochtends vroeg bij de enige voor leerlingen te betreden ingang, de achteringang van de hal, je schooltas te parkeren op of naast een groeiende hoop andere tassen, terwijl je wachtte op de eerste schoolbel. Ook was het een gewaardeerd onderdeel van het groepsgevoel der gymnasiasten om met viltstift op je lederen aktentas het wapen van de Maasstad te tekenen en daaromheen de trotse naam van de school, in het Latijn, mét het magische jaartal 1328. Althans, dat meende ik als broekenman van twaalf jaar. Ik had dat vaker gezien en klakkeloos gekopieerd.

Willem had deze prepuberale pronkzucht haarscherp in de gaten. Pal voordat ik een keer mijn tas wilde oppakken tijdens het luiden van de bel, schoot Willem uit een kluwen gelijkgestemde jongens los, schopte tegen het houterig nagetekende stadswapen op mijn tas en schamperde luid bóven de rinkelende schoolbel uit, tegen niemand in het bijzonder: “Dit vind ik toch zó dom…” en wandelde doodgemoedereerd het schoolgebouw in.

Trrrrriinnggg! Een krantenpers zet zich in beweging.

De opluchting die zich van mij meester maakte toen ik luttele seconden láter bij mijn tas arriveerde dan Willems glimmend gepoetste brogue, ligt nog vers in het geheugen. Ik bibberde van ontsteltenis vanwege het ternauwernood ontlopen gevaar. De erop volgende angst dat door de trap mijn Tupperware-beker met karnemelk was opengesprongen en de inhoud van de tas onherstelbaar was vernield, werd pas ontzenuwd toen ik eenmaal veilig in de klas poolshoogte nam in de tas. Verademing.

Het duurde bijna twintig jaar alvorens ik voor het eerst een soortgelijke sensatie (bel, opluchting) onderging, in een drukkerij nota bene. Na een lang en zéér arbeidsintensief proces waren dan eindelijk de etsplaten van de eerste kranteneditie op de rollen van de offsetrotatiepers geklemd. In de drukkerij ging een luide bel af, internationaal waarschuwingsteken voor het in beweging komen van de krantenpers. Opluchting is het woord niet — vanaf die eerste keer genereerde die rinkelende bel in de jaren daarna telkens datzelfde gevoel… alsof ik op een haar na onheil was misgelopen, langs een afgrond was gescheerd. Mijn eigen Pavlov-reflex? Hoe het ook zij, zonder de directe hoon van Willem én zonder de onverdraaglijke gêne vanwege een zuur ruikende en nadruppelende Latijnse grammatica, wilde ik tóch subiet een andere schooltas.

Van die dingen dus.

Verzwikte voet

Te beweren dat een doorsnee schooldag gelijkstond aan een veldslag, die onherroepelijk leidde tot het equivalent van af en aan rijdende ambulances vol doden en gewonden, en aansluitend gekerm uit lazaretten, is compleet van de zotte; ik ben de eerste die het toegeeft. Tenzij men die verzwikte voet in de meisjesgymzaal of de bloedende vleeswond, opgelopen door een uitschietende guts in het tekenlokaal, aan militaire verwondingen gelijk wil stellen.

Dat er voor gymnasiale tieners dagelijks gevaarlijke fronten opdoemden, zodra zij hun fietsen hadden gestald en richting schoolingang banjerden, daarvoor is weinig fantasie nodig. Lange gangen als duistere loopgraven dienden zij te betreden, bevolkt door helden en lafaards, slimmeriken en domoren, zelfbenoemde officieren en manschappen. Daders en slachtoffers, vrienden en vijanden, meer soorten protagonisten waren er niet. Daarom voelde de Kriegsmarine zich tijdens de Bezetting zo thuis in onze school.

O ja, en ik zou nog de onzichtbaren vergeten. Dat waren de schoolgenoten die als achtergrondfiguren een onbeduidende rol speelden in de dagelijkse schermutselingen, als waren zij de personeelsadministratie, óók in legergroen maar mijlenver van het front. Personen die je niet miste wanneer zij na de schooldag al op weg naar huis waren of ontbraken op een feest. Figuranten in de klas, althans zo voelde dat.

Binnen de schoolmuren lagen vijanden op de loer, sluipschutters die uit alle standen met scherp schoten. Soms was het een hogerejaars, uit geprivilegieerde kringen ook nog eens, die je vanuit een groepje guerrilla’s onverhoeds te grazen nam. Niet zelden bleef dat bij een schampschot; goedmoedig geduw en vooral veel verbaal geweld in onvervalst bekakt Rotterdams. Een hoogst enkele keer werd er een vuistslag uitgedeeld, zo een met een harde klets van vlees op vlees. Maar een dreun in het gezicht heelt sneller dan een denigrerende schimpscheut of vernedering en plein public.

Het kon ook een leraar zijn en dat was andere koek.

Verschijning

Van alle docenten was ik alleen bevreesd voor natuurkundeleraar Leen Bongers. Hij was een mysterieuze man, die vanwege zijn met veel kunst- en vliegwerk ingehouden agressie en woede — maar niet altijd ingehouden — een bepaald angstaanjagende reputatie had opgebouwd. Daarbij kwam dat ik een slechte leerling was in zijn klas en de ene onvoldoende aan de andere reeg. Ik vermoed bij hem ook een heimelijke hekel aan mij in mijn verschijning van pseudo-hippie. Die weerzin tegen een verder ongevaarlijke leerling — in de zin van: niet-subversief — moet bij hem de drijfveer zijn geweest toen hij in de vierde klas tijdens een proef in een verduisterd lokaal vanuit het niets mij een fikse draai om m’n oren gaf, terwijl ik geïnteresseerd naar een onbegrijpelijk tafereel op zijn demonstratietafel keek.

Niemand merkte het — ik benadruk, het geschiedde in het pikkedonker –, behalve hij en ik. Was het een vijandelijke handeling om mij uit te tent te lokken en hem te lijf te gaan, waarna hij represailles kon nemen om mij van school te verwijderen? Je haalde je de gekste dingen in het hoofd indertijd.

In zijn strakke, bijna wezenloze gelaat, waarachter je een baaierd van kolkende emoties vermoedde, had de man wel wat van Basil Fawlty weg, maar dan zonder de inherente humor. Lachen deed je niet met ‘Roodbaard’ — en gelukkig was deze docent, wiens onderricht toch heus topwetenschappers als Robbert Dijkgraaf en Frits Rosendaal mede heeft vormgegeven, bij mijn weten de enige met losse handjes in het corps… later kwamen medeleerlingen met soortgelijke verhalen op de proppen over ontmoetingen met ‘s mans fysieke agressie.

Er was geen enkele aanleiding tot de klap, behalve dan het feit dat het lokaal donker was en de docent zich onbespied wist.

Wat zou zo’n handtastelijkheid door een leraar tegenwoordig voor gevolgen hebben… mediation, schadevergoeding, gedwongen cursus anger management, rapportages door een extern vertrouwenspersoon, schorsing en vul maar aan. Om maar te zwijgen van een afrekening buiten schooltijd om in de vorm van een afranseling door een bevriende jeugdbende. Een bezoek aan de leraar thuis met medeneming van een vuurwerkbom. Vijftig jaar geleden hoorde een draai om de oren door een autoriteit erbij.

De overige leraren beperkten zich tot denigrerende aanvallen van de verbale soort en lieten voorts hun handen in hun zakken: óók indringend, en in zekere mate net zo beklijvend. Hoe voel je je als dertienjarige wanneer W. Backhuys snauwt: ‘Jij mislukt product van echtelijk geknoei…’ In een volle klas. Hij was toch biologieleraar, dus hij kon het weten. 

Geschiedenisleraar E. Janssen Perio beet mijn (inmiddels) goede vriend Arie toe tijdens een les in 5-alfa: ‘Zal ik eens zeggen wat jij bent? Jij bent een PP’tje. Een primitief pummeltje.’ Ik zou ter plekke gestorven zijn van schaamte, maar Arie lachte er smalend om, nu nog trouwens. Desondanks zijn dit voorbeelden van verbale agressie van het zuiverste water, zeer gangbaar toentertijd en in feite pedagogisch onverantwoord.

Wandelen

Leen Bongers was een onvermoeibaar volksdanser en wandelaar. Vooral in die laatste capaciteit verdient hij enig krediet, gelet op het enthousiasmeren en begeleiden van jonge Erasmianen op meerdaagse wandeltochten. In zijn vrije tijd! Ook tijdens een van de Paastochten — begin jaren zeventig — ergens in een bosrijk deel van Nederland, heb ik hem gedurende het gezamenlijk ontbijt een kletterende klap in het gezicht van een klasgenoot zien geven. Die was inderdaad aan het klieren, waarom niet zou je zeggen, dat hoort er nu eenmaal bij, maar Bongers nam de moeite om van zijn stoel op te staan, om de rechthoekige tafel met zestig kinderen heen te lopen en aan de andere kant zijn strafmaat ten uitvoer te brengen. Voldoende tijd tijdens die manoeuvre om zich te bedenken. Toch? Maar wie weet wat de natuurkundige oorspronkelijk in gedachten had.

Paastocht in 1972. Rustmoment op een duin. Niet alle deelnemers staan op de foto. Een enkeling is na het zoveelste met of zonder! aan de andere kant van het duin gerold van het lachen.

Overigens lijkt me dit de plek, nu toch het woord Paastocht is gevallen, om een van die onvergetelijke edities aan te halen — ik meen die van 1971 of 1972. Bij aankomst per touringcar bij het ‘vakantieverblijf’ in een bos vervoegde een onzer zich terstond bij de strategisch opgestelde snackkraam op het terrein, hongerig als hij altijd was. De rest van het gezelschap ging naar binnen. Tien minuten later kwam de jongen, met in zijn hand een zak patat, hikkend van de lach binnenstormen, in eerste instantie niet bij machte om uit te leggen wat hem voor grappigs was overkomen. Later kon hij hortend en stotend uitbrengen dat hij de snackkraamexploitant had verzocht om ‘één patat met’, welke bestelling de provinciaal had genoopt de vraag ‘met of zonder?’ te stellen.

Bulderen van de lach.

In het licht van de tijd, toen aan de hand van de VPRO-tv-makers het meligheid troef was, kost het weinig moeite zich voor te stellen dat de rest van de Paastocht en lange tijd daarna ‘met of zonder?!’ een geuzenkreet was, die te pas en te onpas voor collectieve, nauwelijks te stuiten lachbuien zorgde. Ook nu nog brengt de gedachte aan het ooit hilarische ‘met of zonder’ het rudiment van een grinnik bij me boven; het blíjft een bron van vermaak, zij het wel wat sleets heden ten dage. Het voorval heeft niets te maken met de portee van dit verhaal, maar verdient vastlegging als onsterfelijke grap, die we dan toch maar aan Leen Bongers en zijn wandelmanie te danken hebben.

Wreedheden

Het gymnasium kon een school der wreedheden zijn. Niemand ontkwam eraan… men is beul of slachtoffer. Soms beide, in de constante fog of war; ook dát kwam voor. Zo verscheen in de brugklas van 1968 een jongen die een opmerkelijke kledingstijl hanteerde. Zijn overhemden vertoonden langs de knoopjes imitatiekant, met een concentratie ervan nét onder de kin, een zogeheten jabot. Die ‘verwijfde’ mode was zeker niet uniek, want vele popgroepen uit die tijd hanteerden die, maar op het toenmalige Erasmiaans, nog met één been in de jaren vijftig, was dit absoluut not done. Zijn bolle toet en halflange blonde haar én zijn geliefde jabot maakten de jongen tot een kopie van Little Lord Fauntleroy en dat viel tussen de pullovers en blazers niet goed.

Wie begonnen is met hem jennend ‘Sjabootje’ te noemen weet ik niet meer precies, maar binnen de kortste keren werd het een repeterend scheldwoord en na de kerstvakantie zagen we de kleine Lord niet meer terug. Een beschamende episode, want ik zal het ‘Sjabootje’ ook wel eens gebezigd hebben, zo stel ik me voor.

In dit verband, wat te denken van practical joker Friso. Deze klasgenoot van mij in de onderbouw stamde uit een gegoede Kralingse familie met een dubbele achternaam. Hij haalde zijn grollen wel eens uit de feestartikelenwinkel. Dat is zeer goed mogelijk, zolang je maar geld op zak hebt. Het zij vermeld dat Friso zonder die apparaten ook best een humorist was — eigenlijk verdomd leuk zelfs. Hij kon bijvoorbeeld tegen zijn natuur in plat-Rotterdams praten als de beste, waarmee hij mij geregeld tot schaterlachen bewoog. Zijn manier van ‘bedankt’ uitspreken als ‘bááá-dangts’ bijvoorbeeld, alsof hij in een snackbar aan de Katendrechtse Lagedijk een nasibal in ontvangst nam, vond ik toen erg geslaagd. Maar dat was kennelijk onvoldoende. Hij stond er bij tijd en wijle op om een poets in te zetten die door een ander was verzonnen.

Louis XVI in olieverf, een creatie uit 1788 van Antoine-François Callet.

Friso had een ontwapenend gelaat en alleen dat al hielp hem bij het effect van zijn snaaksheden op het publiek. De hang naar hulpmiddelen voor het oproepen van lachsalvo’s zegt wellicht iets diepgravends over zijn karakter, maar die duiding moet hier maar achterwege blijven. Enfin, op een dag kwam hij op school in het bezit van een vingerguillotine.

Friso had ergens een klein model guillotine op de kop getikt, een executie-apparaat dat we kennen uit de achttiende eeuw, waaronder Lodewijk XVI en vele anderen hun tragische einde vonden. Onder deze miniatuur-replica legde men een object — een potlood, een wortel, een toffee — waarna ‘de beul’ met een ferme zwiep het vallend mes ontsloot dat het ding in tweeën hakte. Het komische was dat Friso ongemerkt een schuifje op de guillotine kon beroeren terwijl hij zijn gehoor goedlachs afleidde, en er dan zijn eigen vinger onder legde. Met geweld leek dan het vlijmscherpe mes te vallen… vanzelfsprekend zonder verdere amputatieve gevolgen. Verbijstering alom tussen de lessen door. Hoe flikte Friso ‘m dat toch? En wie durfde ná hem?

In zijn dagboek schreef de Franse monarch op 14 juli 1789 de fameuze woorden: “Niets bijzonders gebeurd.” Zoiets had Herman ook kunnen overkomen, als hij geluk had gehad die dag. Het was een stille, uiterst vriendelijke klasgenoot die meer bij het voetvolk dan bij de strategen behoorde en zich daar comfortabel bij leek te voelen. Hij staarde vaak dromerig naar taferelen die alleen hij leek te zien.

Herman had aandachtig in de kring rond het apparaat uit de winkel van Frans Moret toegekeken en vroeg zich waarschijnlijk met afgrijzen af wat er zou gebeuren als iets faliekant fout ging met de goochelaarstruc. Kwikzilveren Friso had dat feilloos door. ‘Wil je het ook eens proberen, Herman? Kom maar hier met je vinger.’

Herman bedankte feestelijk. ‘Ah toe joh, doe niet zo flauw,’ drong Friso aan. Herman voelde de bui hangen en trachtte zich onopvallend uit de voeten te maken, gokkend op Friso’s drukke en snel afgeleide geest. Dan had hij buiten diens volharding gerekend, zodra hij een buitenkansje had geroken op een sterke grap ten koste van een ander. Herman zette het op een lopen en Friso ging rap in de achtervolging, onder luide kreten als ‘kom hier met je vinger!’ en ‘er gebeurt je niets!’

Ik volgde het tweetal, half lachend, half bezorgd om de afloop. Het wonderlijke nu was dat Herman begonnen te rennen, blééf rennen, de school uit, de Wytemaweg over, hij was niet te houden, het Rosarium in, het Museumpark door, hij draafde maar door… Want Friso bleef óók rennen, achter de vluchteling aan, en ik dáár weer achteraan, uit mijn aangeboren instinct om te bemiddelen en te sussen, maar ook uit nieuwsgierigheid, alsof ik een breiende sans-culotte in looppas was.

Pas bij de Westersingel raakten Friso en ik ‘Louis Seize’ uit het oog, van wie wij niet konden vermoeden dat hij in doodsnood zo snel ter been was. Hijgend hielden wij halt bij Boymans van Beuningen. Van Herman geen spoor. We keken wat beteuterd naar de vingerguillotine, die zijn komische karakter abrupt gedurende één achtervolging verloren had. Teleurgesteld en ietwat gegeneerd dropen wij af, de lange weg terug naar school. We hebben hem nooit meer gezien.

Nog steeds te koop, weliswaar in iets andere vorm. Slechts 15 euro via Amazon.

De guillotine bedoel ik. Herman wel natuurlijk, die zat na de Grote Pauze gewoon in ons midden.

Herman werd later docent op een middelbare school, zo’n zeldzame leraar die op handen gedragen wordt door telkens nieuwe generaties kinderen. Ik suggereer niet dat er verband is tussen deze levensloop en de achtervolging op leven en dood met Friso en mij, maar in het leven van een Erasmiaan is niets te dol.

Rosarium

Toneel van het meest openlijke krijgsbedrijf was zonder twijfel het sportterrein. Daar werden verbeten gevechten uitgevochten, die, zodra het om voetbal ging, uiteindelijk vrijwel alle werden gewonnen door het team waarin gymnastiekleraar P.P. Moerman als keeper deelnam, zoals in deze kolommen eerder beschreven is. Maar dit niet voordat bezwete jongens elkaar een uur lang naar het leven hadden gestaan op het knollenveld bezijden het Rosarium. Vliegende tackles en wilde aanslagen op enkels, kuiten en knieën waren niet van de lucht en het is een wonder dat niet wekelijks ambulances de tweehonderd meter vanuit het toenmalige Dijkzigtziekenhuis aflegden om incapabel geraakte scholieren af te voeren naar verpleegafdelingen.

Een van de meer begerenswaardige meisjes kreeg op een gure dag, tijdens een gemengd potje hockey, vanaf de stick van een beul van een jongen zo’n snoeiharde bal op haar welgevormde linkerdij, dat op deze locus traumatis nog tijdens de match een scherpe afdruk van de bal ontstond. Die was maanden daarna nog te zien, telkens in een andere kleur, tijdens die zeldzame lessen in de buitenlucht waarbij jongens en meisjes tezamen sport beoefenden. Het was misschien een wanhopige manier van amoureuze aandacht trekken geweest door deze jongen, een geoefend hockeyer, die met iets subtielere aanpak allicht meer succes had kunnen hebben.

Ook andere buitensporten met mogelijk dodelijke afloop vonden gretig aftrek onder de jongelui. Was het Erasmiaans de enige school in Zuid-Holland waar speerwerpen werd onderwezen? Niemand is bij mijn weten ooit op klassieke wijze doorboord, maar soms hield je je hart vast als onhandige types in het strijdperk traden. Temeer daar geen enkele ‘speer’ een kaarsrechte vorm had en de kromme exemplaren vanuit de handen van onervaren rekruten alle kanten op konden vliegen.

Het was voor Moerman zaak om voor en na de les de speren nauwkeurig te tellen, in de hoop op een gelijk aantal uit te komen. Het was immers niet ondenkbaar dat zo’n afzwaaier een naar de jonge sporters glurende perverseling in de bosjes had getroffen.

Zelden was een intellectueel begaafde gymnasiast een net zo getalenteerde sporter. Een telg uit een gerenommeerd geslacht schiet in gedachten. Onder zijn voorvaderen bevonden zich maar liefst drie burgemeesters van Kralingen wier achternaam voortleeft op straatnaambordjes in Rotterdam-Oost. Hij was een kei in bètavakken. Bij softbal echter wierp hij altijd na een rake klap zijn slaghout zo wild weg, terwijl hij al sprintte naar het eerste honk, dat het in feite onverantwoord was om hem überhaupt aan slag te laten komen. Hoe Moerman ook smeekte om voorzichtigheid te betrachten, het kilo’s wegende houtwerk vloog dan als een ronddraaiende boemerang door het luchtruim, op zoek naar het hoofd van een scholier. Met deze uiterst slimme kerel aan slag was in geen velden of wegen publiek te zien en zag de achtervanger grauw van angst.

Lerarenkamer

Woedde er ook oorlog in de lerarenkamer of was het alle dagen feest in die pedagogische broederschap? Alleen via via drong er iets tot ons door — en veel later, óók nog eens, want dat godenrijk stond voor ons stervelingen gelijk aan de tent van de generale staf: hermetisch gesloten voor het voetvolk dat niets te maken had met de gesloten omgangsvormen en onbegrijpelijke riten aldaar. Over zwaar geschut en losse flodders, combines en vetes tussen slimmeriken en sufferds kwamen wij nauwelijks iets te weten. 

Een opmerkelijk geval sijpelde jaren later naar buiten en behelsde fysisch geograaf Huib Poortman. Deze jonge leraar was overtuigd liberaal en trouw VVD-lid. Hij sprak op partijbijeenkomsten en zo — wij woonden eens zo’n praatje voor geloofsgenoten in de Rivièrahal bij, wij wilden ook wel eens lachen. Maar in de door sociaaldemocraten overheerste lerarenkamer werd hij onbarmhartig getreiterd. In feite had hij geen leven daar, aldus betrouwbare bronnen. Zo ging dat kennelijk, buiten ons gezichtsveld. 

Het was een lieve en in zekere zin bevlogen man, wiens grofste verwensing in de klas het vaak gebezigde en grammaticaal incorrecte ‘oud hoer!’ was. Ik heb Poortman één keer boos gezien. Frits had in de parallelklas tijdens een diavoorstelling rond Nederlandse bouwkunst bij het zien van het Congresgebouw te Den Haag de quasi-onnozele mededeling gedaan dat ‘het Concertgebouw toch heus in Amsterdam stond’, waarna ik volgens afspraak in het volgende uur bij de dia van het Concertgebouw met hetzelfde aplomb stelde ‘dat het Congresgebouw zich bij mijn weten in Den Haag bevond’. Wij vonden het een staaltje voortreffelijke humor. Poortman geenszins. 

De verstokte pijproker had toen allang genoeg van het Erasmiaans en niet lang daarna trok hij zijn stutten. Poortman streek uiteindelijk in het Haganum neer waar hij het als gewaardeerd leraar een kwart eeuw volhield, tot aan zijn pensionering. Ook gaf hij via ‘Lijst 14’ een links getint — dus toch! — samenwerkingsverband van maatschappelijke organisaties vorm dat tevergeefs een gooi deed naar een zetel tijdens de parlementsverkiezingen van 2006.  

Liefde

Uiteindelijk kwam in de bovenbouw van het Erasmiaans graaf Tolstoj pas echt om de hoek kijken, toen oorlog en vrede in de momenten van begeerte en proto-relaties elkaar zo snel aflosten dat zij na verloop van tijd nauwelijks te onderscheiden waren.

Volgens S. Vestdijk is de kalverliefde de enige ‘ware’ liefdesvorm – want onbezoedeld door andere drijfveren dan slechts bij elkaar zijn, te versmelten, één te zijn, zonder oog voor de rest van de wereld. De schrijver sloeg de spijker op z’n kop.

Elke cel en elke vezel in het lichaam hunkert naar het liefdesobject, obsessief, zoals een verslaafde leeft voor de lepel, het spul, de spuit. Later volgen als vanzelf volwassen liefdes, maar daarin steken concessies de kop op, afwegingen van maatschappelijke aard, bedenkingen omtrent toekomstbestendigheid, mogelijke voortplanting en hypotheken. Dat weet de tiener gelukkig niet.

Ergens op deze foto: practical joker Friso, het meisje met de zwartblauwe dij, Casanova Frits, de hongerige klasgenoot die patat mét bestelde, de sociaaldemocratische rector én de auteur.

De kalverliefde is daar nog vrij van, púúr: het enige wat ertoe doet is het object. In haar meest bezeten vorm mondt zij uit in zelfopoffering, wanneer in authentieke Tristan und Isolde-modus men simpelweg verdwijnt in de ander. Het kalverenpaar zondert zich van nature af, wat op den duur tot een houdgreep kan leiden. De analogie van verovering en bezetting ligt op de loer. Er komt een einde aan zo’n kneveling en meestal sneller dan je denkt. Want wie zijn liefdesobject beschouwt als een krijgsgevangene kan rekenen op een ontsnapping. Dat men dit pas op latere leeftijd tot in de kern begrijpt behoort tot de hartverscheurende tragiek van het volwassen worden.

Bier- en limonadeflessen

O Muze, vertel dan nog maar eens van die jongen van een jaar of zestien, met de reputatie van vasthoudende Don Juan, die zijn oog had laten vallen op een blondharig en onschuldig ogend meisje van veertien. Dat meisje Charlotte moest van deze Frits weinig hebben. Op een schoolfeest, zo rond 1972, thuis bij een klasgenoot uit een welgestelde familie, kwam een en ander aan de oppervlakte, door iedereen te aanschouwen. Het was zo’n situatie aan het eind van een feestje die ik me goed herinner: de sigaretten en chips bijna op, beduimelde glazen overal en nergens, lege bier- en limonadeflessen op de vloer, jongens en meisjes die om elkaar draaiden in afwachting van een volgende toenadering; verveling hing in de lucht, de grammofoonnaald doelloos in de laatste groef van een elpee… Er moest iets gebeuren, om het samenzijn nieuw leven in te blazen.

En volstrekt onverwacht vlijde Charlotte, ten overstaan van iedereen, zich neer op de schoot van Helmut, die onderuitgezakt in een fauteuil zat. Of het nog niet genoeg was sloeg zij haar arm om hem heen, en wierp de bedremmelde Frits een blik toe, waarin misprijzen en uitdaging de boventoon voerden. Scarlett O’Hara zou het haar niet hebben kunnen verbeteren. Het geheel duurde in mijn herinnering minder dan een halve minuut, maar zwerft een halve eeuw later nóg door de gewelven van het geheugen. Een scène, zo scherp afgebeeld als ware het een geprojecteerde dia in een voorts aardedonkere ruimte.

Dit vérstrekkende incident met Helmut was niet door hem uitgelokt, ter verleiding, maar was Charlottes signaal van afwijzing richting Frits geweest, zo vertelde zij bijna een halve eeuw later, tijdens die receptie in Amsterdam. En dat was nieuwe informatie voor mij, die een en ander in een ander daglicht plaatste. Was het tot dien niet ‘algemeen bekend’ dat de intimiteit juist op instigatie van Helmut had plaatsgehad om Frits de loef af te steken? 

Veel oorlogen hebben onbegrip en misverstand als aanleiding. Maar al die jaren later, althans de laatste keer dat ík keek, was de animositeit van alleraardigste Frits jegens de even aimabele Helmut onverminderd. Beiden in meer of mindere mate uitgegroeid tot succesvolle juristen, beiden een harmonieus, kinderrijk gezin opgebouwd. Beiden grijs inmiddels. En toch. Er was op dat ogenblik in 1972, toen de tijd leek stil te staan, een wond aangebracht die niet kon helen. Net als bij Amfortas begon hij bij het minste of geringste (het noemen van de naam van de ‘goedsul’ was al voldoende) onstelpbaar te bloeden.

Nog niet eens zo gek lang geleden werd tussen de zestigers een soort van wapenstilstand getekend, zo vernam ik. Het was uitgepraat, althans het was aan de orde gebracht, op tafel gelegd. Niet meer dan dat, laat staan dat men elkaar in de armen sloot en breed lachend verhalen uitwisselde, onder een goed glas, zoals het jongens betaamt. Maar het is tenminste niet langer oorlog en daarmee lijkt eenieder vrede te hebben.

* Alle hierboven genoemde betrokkenen, behalve de genoemde leraren én de onbesuisde hockeyer, leven nog. Uit oogpunt van kiesheid zijn fictieve namen gebruikt.

Dit verhaal verscheen in september 2021 in Tolle Belege, het alumniblad van het Erasmiaans Gymnasium, een special over Oorlog en Vrede.

Standaard
Muziek

Wandelend langs de platenkast 15

Goya

Alicia de Laroccha was de grootste Spaanse pianiste aller tijden, daar is iedereen het wel over eens. Dan heb je wat speelruimte als artiest. De twee bundels Goyescas (1910-11) van Enrico Granados nam ze driemaal op: in 1959-1963 (Hispavox), in 1972-1976 (Decca) en in 1990 (RCA Victor).

Hier gaat het om de laatste. De zeven delen tezamen maken een op en top romantisch geheel, min of meer gebaseerd of georiënteerd op het werk van De Goya. Rijk geornamenteerd en lastig uit te voeren, omdat op elke plek souplesse en uithoudingsvermogen vereist is. El amor y la muerte is het twaalf minuten durende 5e deel dat het meeste indruk maakt, door de manier waarop de pianiste de melodieën als weelderige bloemen laat opbloeien binnen het onmiskenbaar Iberische idioom. Verbluffend goed. Bij minuut 5’40 staat de muziek bijna stil, wanneer de pianiste in een moment van verstilling alleen nog contemplatieve akkoorden aanslaat.

De Laroccha weet in sfeer, poëzie en beheersing van de muzikale taal de volmaaktheid te benaderen.

Op het vierde deel (Quejas, ó la maja y el ruiseñor) baseerde Consuelo Velázquez zijn Bésame Mucho, dat elke crooner en zangeres op het repertoire heeft. ●●●●○

Gekocht bij Plaatboef, Nieuwe Binnenweg 81a, Rotterdam. 1 cd. Prijs € 2,50.

Marsepein

Het Vioolconcert van Korngold is zo hoogromantisch van aard, dat de gesmolten marsepein er bijna vanaf druipt. Korngold, tijdens het componeren woonachtig in de VS waar hij fortuin maakte als maker van filmmuziek, verwerkte er motieven in uit films met Erroll Flynn.

De Nederlandse violiste Lisa Ferschtman weet er wel raad mee. In deze live opname met het Praags Symfonieorkest staat het bol van de Midden-Europese romantische koortsdromen. Vergeleken met andere opnames in mijn bezit (o.a. Perlman) blijft Ferschtman veel langer hangen bij de zoete dissonanten en voluptueuze melodische bochten, zonder een moment smakeloos te worden. Een vette vioolklank en een soepel orkest dat haar bij elk rubato nauwgezet volgt. Heerlijk. Dat kan deze muziek hebben, sterker nog, zij wordt er alleen maar sterker van.

Ook in Bernstein’s Serenade, nu met het Gelders Orkest, is zij uitmuntend in vorm. Een repertoirestuk, en een dankbaar vehikel voor solisten om in te shinen. Halverwege kan Bernstein het niet laten om zijn voorliefde voor de blues te etaleren, met jazzy syncopen en schurende harmonieën. Ik vind dat nooit zo geslaagd. Een symfonieorkest komt daar zelden zonder kleerscheuren — en lichte gêne bij het publiek — uit.

De SACD op Challenge Classics klinkt warm en helder, vol details die bij anderen ondergesneeuwd lijken. De luisteraar thuis zit op de eerste rij. ●●●●○

Gekocht: Boekhandel Dominicanen, Dominicanerkerkstraat 1, Maastricht. 1 cd. € 22,95

Beluisterd met Yamaha A-S3000, Marantz UD-7007 (Purist Audio Design interconnects), Thorens TD160 met Denon DL110 (Van den Hul interconnects), Bowers & Wilkins 805S (Nordost Solar Wind)

Standaard
Muziek

Wandelend langs de platenkast 14

Escapisme

Het Amerikaanse volk kon midden in de oorlog wel een escapistisch opkikkertje gebruiken. Oklahoma! — première maart 1943 — kwam als geroepen. De musical was het product van de eerste samenwerking tussen Rodgers en Hammerstein, die daarna zouden tekenen voor meer Broadwayklassiekers als Carousel (met ‘You’ll Never Walk Alone’) en The Sound of Music. Het publiek kon (en kan) er niet genoeg van krijgen. Recensies waren jubelend.

Deze plaat kreeg ik vijfendertig jaar terug cadeau, toen al een afdankertje, maar hij gaat nog met grote regelmaat op de draaitafel. Hoe kan het ook anders met songs als People Will Say We’re In Love en Oh, What a Beautiful Morning. Rodgers treft daar precies de weemoedige sfeer die het veranderde Amerikaanse platteland moest illustreren.

Het sentimentele verhaaltje is bepaald niet onzinnig en oversteeg het amusementsdoel van reguliere niemendalletjes in het muziektheater uit die tijd. Er vallen zelfs doden. Gelukkig gaat het hier om de slechterik.

De opname dateert uit 1943. Het was de eerste keer dat een ‘originele Broadway cast’ — in dit geval met bariton Alfred Drake en sopraan Joan Roberts — naar de studio werd geroepen voor plaatopnames: de set met zes 78-toerenplaten die het opleverde ging een miljoen keer over de toonbank.

Deze herpersing op elpee, ook van Decca, is ietwat grijs gedraaid maar nog van zeer acceptabele kwaliteit. Alleen in de eindgroeven en bij luide tutti-passages begint de naald tegen te sputteren. De plaat bevat een selectie van de show, waaronder Out of my Dreams and People Will Say We’re in Love. Voor die onsterfelijke nummers alleen al moet je hem in huis hebben.

De filmversie van Oklahoma! (1955) is evenmin te versmaden, al was het maar vanwege het filmdebuut van oogverblindend knappe Shirley Jones, die daar sappig en fris oogt als een vers geplukte druiventros met de dauw er nog op. ●●●●○

Gekocht: nee, was een cadeautje. 1 elpee.

Hypertalent

Splinternieuw, deze dubbel-cd van hypertalent Daniil Trifonov, met een all-Russian repertoire. Wie het jaarlijkse Gergievfestival in Rotterdam volgt, kent deze jongeman. Hij behoort tot het onwaarschijnlijke Russische talent dat dirigent Valéry Gergiev naar de Maasstad pleegt mee te nemen. Die types van wie je nog nooit gehoord hebt en die je na afloop van het concert, uithijgend aan de bar, slechts met één vraag achterlaten: waar háált Gergiev ze vandaan?! Techniek, stamina, interpretatie, speelgemak en -plezier… allemaal van verbluffende omvang.

Ik zag (en hoorde) Trifonov voor het eerst toen Gergiev had bedacht op één dag alle pianoconcerten van Prokofjev uit te voeren. Trifonov was een van de solisten en speelde de Doelen plat. Uiteindelijk leverde het de jonge pianist een contract bij het ‘gele label’ op.

Het goede nieuws van deze uitgave is dat de dames en heren Tonmeister van Deutsche Grammophon eindelijk het opnemen van een piano onder de knie lijken te hebben. De klank van de opnames is subliem, zowel in de solostukken als in de twee concerten voor piano en orkest, nr. 2 van Prokofjev en dat van Skrjabin.

Gergiev geeft in beide concerten Trifonov de ruimte om zijn machtige talent te etaleren. De enorme cadens in het openingsdeel van Prokofjev is groots en meeslepend en tart het bevattingsvermogen van de luisteraar. Alexander Toradze (Philips), met identieke dirigent en orkest, is wel veel langzamer én beheerster op de plekken waar Trifonov op het onbesuisde af is.

In het larmoyante langzame deel van Skrjabin, geschraagd door een melodie van introverte tragiek, bereikt Trifonov een zelden gehoorde expansie van emotie. Bijzonder indrukwekkend.

Ook in de schitterende Sonate nr. 8 van Prokofjev weet de pianist het tragische verhaal te vertellen, in detaillering en klankkleur op gelijke hoogte met kanjers als zijn Russische vakbroeder Lazar Berman.

Maar wat doet ie ineens in de Drie Delen uit Stravinsky’s Petroesjka?! De hang naar een eigenzinnige interpretatie neemt daar groteske vormen aan, op het smakeloze af. Niet erg als je iets probeert wat nooit iemand eerder heeft gedaan, maar dit is bespottelijk. Hollen, stilstaan, de vreemdste capriolen, mijn gevoel voor logica compleet zoek. In het derde deel vliegt Trifonov met volle snelheid over de vangrail. Jammer, die Petroesjka is erbarmelijk mislukt.

Wat rest is de weerslag van een fantastisch talent waarvan Gergiev er hopelijk veel van blijft meeslepen naar de Maas. ●●●●○

Gekocht: Boekhandel Dominicanen, Dominicanerkerkstraat 1, Maastricht. 2 cd’s. € 22,95

Beluisterd met Yamaha A-S3000, Marantz UD-7007 (Purist Audio Design interconnects), Thorens TD160 met Denon DL110 (Van den Hul interconnects), Bowers & Wilkins 805S (Nordost Solar Wind)

Standaard
Muziek

Wandelend langs de platenkast 13

Hoentje

Het panel van radioprogramma Diskotabel van zondag 4 april kwam pas aan het slot met de ‘beste’ uitvoering van Le Sacre du Printemps over de brug. Dirigent Jurjen Hempel oordeelde na de special over dit notoire meesterwerk uit 1913 duidelijk: Valéry Gergiev met zijn Kirov Orkest (tegenwoordig Orkest van het Mariinsky Theater) was de ‘winnaar’. En dat is nogal wat, want er zijn vele, vele tientallen opnames van Le Sacre beschikbaar.

Ik bezit er een stuk of tien, elk met z’n individuele kwaliteiten. Ik heb een zwak voor Esa-Pekka Salonen (Sony) die er met zo’n noodgang doorheen dirigeerde dat ie het stuk op één plaatkant kreeg. Of dat nu de drijfveer was weet ik niet, maar deze koortsachtige uitvoering blijft adembenemend.

Gergievs lezing is alweer meer dan twintig jaar oud, uit 1999 om precies te zijn, maar is nog zo fris als een hoentje. Ruimtelijk opgenomen, met hier en daar iets dat neigt naar galm. Niet erg, want Gergievs directie zorgt voor ongekende klankkleur en natuurlijke dynamiek. Ook zijn feilloos gevoel voor ritmiek en spanningsopbouw toont zich hier in volle sterkte. De extra nadruk op de dissonantie in het slotakkoord had voor mij niet gehoeven, maar wie ben ik.

De ‘opvuller’ is Skrjabins Poème de l’extase. Heel ingewikkeld onderliggend programma, maar in feite ‘makkelijk’ te volgen muziek, met onder meer het telkens terugkerende ‘Thema van de Triomf van de Wil’ in de trompet dat, als het goed is, nog lang ná beluistering als een oorwurm in het geheugen blijft zitten. Het Poème de l’extase trakteert de luisteraar in de slotmaten ook nog eens op wat met afstand het langste en luidste tutti C-groot akkoord uit de muziekgeschiedenis moet zijn. Een kolfje naar de hand van halve Rotterdammer Gergiev. ●●●●●

Gekocht bij Bol.com, 1 cd. Prijs € 16,95

Hoes

De Britse band uit de categorie ‘prog rock’ U.K. bestond maar heel kort: volgens de punk- en new wave-adepten uit die tijd nog veel te lang. U.K. maakte precies het soort muziek waar de nieuwe generatie korte metten mee wilde maken. Johnny Rotten had niet veel affiniteit met viool- en synthesizersolo’s op een achtergrond van ronkende string synths.

Drie elpees maakte U.K. slechts en de eerste was de meest verfrissende: een viermansformatie met onder meer slagwerker Bill Bruford (Yes, King Crimson) en gitarist Alan Holdsworth (Soft Machine) die een mix van stevige rock met prog-invloeden liet horen, naast een duidelijke shot ritmische complexiteit uit de Zappiaanse school. Voor de tweede elpee bleven alleen Eddie Jobson (Roxy Music, Zappa-band) en zanger-bassist John Wetton (King Crimson) over, die werden aangevuld met Zappa-drummer Terry Bozzio.

Deze derde elpee Night After Night uit 1979, live opgenomen in Japan, was ook meteen het slotakkoord. Opvallend aan deze elpee: de opname is verbazingwekkend vlak, geen diepte noch transparantie. Als je hoort met wat voor 8-track tapes Zappa uit Japan terugkwam een paar jaar eerder krab je je achter de oren over waarmee de geluidstechnici bezig zijn geweest. Daarnaast flink veel overdubs: Wetton zingt vrolijk met zichzelf mee in de refreinen. Ik vind dat bij live elpees altijd een beetje boerenbedrog. Maar ja. Een goede persing van Hollandse bodem op het label Polydor maakt het een en ander dragelijk.

Maar wat het meest opvalt is de muzikale matheid, de zelfgenoegzame saus die het bij tijd en wijle ongeïnspireerde materiaal bedekt. Bozzio had rustige avondjes bij U.K. met die constante 4/4 met ampele ruimte voor zijn single stroke fills. Avontuur lonkte slechts een moment zodra er een 7/8 was vereist. Het kortstondige Presto Vivace vereiste het betere telwerk, maar meer ook niet. Het is allemaal professioneel en netjes, maar onmiskenbaar zielloos. Je kunt veel over de Sex Pistols zeggen, maar niet dat de muziek zielloos is.

De hoes behoort tot de allerlelijkste uit mijn collectie. To add insult to injury heeft, voor een bazaar van een sportvereniging, een cultuurbarbaar een niet te verwijderen sticker aangebracht. Dat kon er nog wel bij. Vandaar de uitverkoopprijs in de tweedehandswinkel waarschijnlijk, want het is best een gewild object. ●●○○○

Gekocht bij Plaatboef, Nieuwe Binnenweg 81a, Rotterdam. 1 elpee. Prijs € 5,00

Preludes

Net als Chopin en Rachmaninoff schreef Skrjabin — in de periode tussen deze twee kanjers in — ook 24 preludes, elk in een van de beschikbare toonsoorten. Dat wist ik niet totdat ik deze plaat kocht.

De Preludes op. 11 stammen uit de jaren 1898-99, dus jeugdig werk van deze vroeggestorven Russische zonderling die, laten we eerlijk zijn, hoe langer hoe gekker werd en steeds vreemdere muziek ging schrijven, tot aan het onvoltooide ‘synesthestische’ koor- en orkestwerk Mysterium aan toe dat in zijn eindvorm zeven etmalen had moeten duren. Vanaf pianosonate nr. 5 al ben ik de draad geheel kwijt, ik geef het grif toe.

Maar goed, die eerste 24 preludes, in Skrjabins eerste periode waarin de componist onder de invloed van Chopin was, zijn een waar genot. Nr. 1 zou bijna vroege Debussy kunnen zijn maar nr. 2 is je reinste Chopin en nr. 3 is qua ritmiek sprekend op. 28/1 uit de fameuze set van 24 preludes van de Franse Pool. Nr. 16 zoekt de sfeer van de treurmars uit diens Sonate nr. 2.

Tegelijk doet Skrjabin dingen die Chopin niet in z’n hoofd zou halen: nr. 14 staat in 15/8 maat bijvoorbeeld. In de Etudes op. 42 doet Skrjabin al helemaal ‘zijn eigen ding’: het zoeken naar of juist vluchten voor de grondtoon in ongrijpbare klanken en akkoordenopeenvolgingen, met veelvuldig gebruik van trillers en voorslagen. In deze bundel zitten stukken die klassieke pianoliteratuur zijn geworden.

Onder de handen van iemand als John Ogdon is deze plaat in de kern een waar genoegen. De tand des tijds echter heeft zijn werk gedaan: opname en persing dateren uit 1973 en de slijtage is merkbaar. Opname ontbeerde indertijd al helderheid en présence, dat hoor je zo. Verre van ideaal opgenomen dus en de originele Britse persing helpt niet mee. Je moet niet alleen door een grauwsluier heen maar ook met geslis en gespetter genoegen nemen. Nauwelijks dynamiek en helderheid. Jammer, want Ogdon is juist zo’n meester op dat punt. ●●●○○

Gekocht bij Snijders, Hoogstraat 137-139, Rotterdam. 1 elpee. Prijs € 1,20

Beluisterd met Yamaha A-S3000, Marantz UD-7007 (Purist Audio Design interconnects), Thorens TD160 met Denon DL110 (Van den Hul interconnects), Bowers & Wilkins 805S (Nordost Solar Wind)

Standaard
Muziek

Wandelend langs de platenkast 12

Rauw en scherp

Hoe zag de aarde eruit voor Sgt Pepper’s? Woest en ledig ongetwijfeld. Ik weet het niet meer. Voor dit icoon geldt hetzelfde als voor zoiets als Beethoven’s Negende: hoe kwámen die jongens erop? Dit werk weigert te dateren. Ja, er komt een steeds dikkere laag patina op, wat de slijtvastheid slechts versterkt.

Ik beluisterde deze klassieker twee keer bij een vriendje uit de flat, wiens oudere broer hem subiet na verschijnen had gekocht. Hij was misschien wel de eerste in heel Overschie die hem in bezit had. Ik moet elf geweest zijn. Daarna duurde het jááren voor de hernieuwde kennismaking.

Mijn vinylversie is niet top: een Engelse heruitgave uit de jaren zeventig. Deze luxe editie op cd is een aangename verrassing. Wat een helderheid en diepte in de bas. Allemaal op vier sporen slechts?! Hoe is het mogelijk. De openingsgitaar van George Harrison kwam zelfs als een schok, zo rauw en scherp.

De echte aficionado wil de mono-uitgave op vinyl; die schijnt zo mogelijk nog beter te zijn. Maar ik ben uitzonderlijk blij met deze. Negenendertig minuten muziekhemel.

Op het tweede cd’tje staan allerlei ‘oefen-tracks’ uit het archief (wie bewaarde dit allemaal?!), waaronder die van het onsterfelijke duo Penny Lane en Strawberry Fields Forever. Aangevuld met de eindversies, gelukkig. Als ik die breekbare stem van Lennon hoor krijg ik rillingen. Wat een held.

De uitgave is zo luxe dat zelfs een replica van de beroemde inlay met aanhangsnor en andere uit te knippen aardigheidjes is toegevoegd. ●●●●●

Gekocht bij Plaatboef, Nieuwe Binnenweg 81a, Rotterdam. 2 cd’s. Cassette met zeer informatief boekje. Prijs € 11,00

Recycling

In de afdeling Geinige cd’s behoort deze tot de leukste. Puccini was geen componist van liederen. Hij bewaarde zijn mooiste melodieën liefst voor zijn opera’s. Opmerkelijk verschil met generatiegenoot Richard Strauss, die vijftien opera’s pende maar ook zijn hele lange leven liederen bleef schrijven.

Maar goed, hier en daar glipten er toch een paar tussendoor, zeker tijdens Puccini’s studietijd. Al luisterend naar deze cd kom je tot de verrassende ontdekking dat ook deze grote operacomponist graag uit zijn eigen oeuvre recyclede. Je denkt telkens hé! dat heb ik eerder gehoord…

In het zeer vroege A te — zo vroeg dat niemand het jaartal van compositie weet; ergens in de jaren 70 van de negentiende eeuw — zit de oerversie van een frase uit Tosca. Mentìa l’avisso uit 1883 herbergt een stukje Donna non vidi mai uit Manon Lescaut van tien jaar later. Morire? is ‘gezelfplagieerd’ uit La Rondine. En ga zo maar door.

Zestien prachtnummers (nou ja, niet allemaal even spectaculair), die met de stem van Domingo vol overtuiging zijn opgenomen. Spoorzoekertje in de muziek, erg grappig.

En wie zit daar achter het klavier? Julius Rudel, de man die Bruch’s Vioolconcert nr. 1 dirigeert op een elpee die ik van m’n grootvader kreeg eind jaren zestig. Opa’s subtiele hint dat ik toen naar te veel onzinmuziek luisterde. Hij had gelijk. ●●○○○

Gekocht bij Plaatboef, Nieuwe Binnenweg 81a, Rotterdam. 1 cd. Cassette met mooi boekje. Prijs € 3,50

Beluisterd met Yamaha A-S3000, Marantz UD-7007 (Purist Audio Design interconnects), Thorens TD160 met Denon DL110 (Van den Hul interconnects), Bowers & Wilkins 805S (Nordost Solar Wind)

Standaard
Muziek

Wandelend langs de platenkast 11

Muziekexplosie

Deze elpee van Quicksilver Messenger Service werd opgenomen vier jaar ná het debuut van The Beatles in de VS in 1964. Kun je het je voorstellen? Van I Wanna Hold Your Hand naar deze uitzinnige West Coast extravaganza binnen luttele jaren.

Ik blijf me verbazen over de deeltjesversneller van de Sixties. Al was het maar omdat alleen nú die ontwikkelingssnelheid van de popmuziek niet bij te houden is; op het moment zelf wist je niet beter en was het tempo doodnormaal.

Quicksilver Messenger Service is een echte exponent van eind jaren zestig, een ‘gitaarband’ die met gemak een simpele riff van Bo Diddley (Who Do You Love?) kon uitrekken, omkeren, platslaan en opblazen tot deze klassiek geworden muziekexplosie van een half uur op kant 1.

Ik kocht de plaat een halve eeuw geleden en, zonder valse sentimenten, hij behoort nog steeds tot m’n favorieten. De live-sfeer kwam me intiem en broeierig voor, nu nog steeds: het rapport tussen band en publiek in de Fillmore West is onmiskenbaar aanwezig. Het dertien minuten durende Calvary is een geluidsexperiment zoals toen in zwang was, maar zonder een spoor van zelfgenoegzaamheid.

De klank van de bass-drum van Greg Elmore lijkt meer die van een houten hamer op een koekblik. Heel krachtig effect. Het lijkt op deze cd-transfer (uit 2000) nog sterker dan op de plaat. De sologitaar van John Cippollina met zijn doordringende aanslag en hysterische vibrato bezorgt nog steeds rillingen over de rug. Er wordt bij tijd en wijle mooi, quasi-geïmproviseerd driestemmig gezongen. Het slotakkoord van Who Do You Love? behoort tot de langste uit de popgeschiedenis.

Happy Trails is de tweede elpee van Quicksilver Messenger Service en meteen onbetwist hoogtepunt. ●●●●○

Gekocht bij Donner, Lijnbaan 150, Rotterdam. 1 cd. Prijs € 5,00

Schumann als Bruckner?

Tijdens het beluisteren van deze cd’s schiet je onwillekeurig zo nu en dan in de lach. Waarom speelde Karajan elk repertoire alsof Bruckner of Wagner op de lessenaar stond? Lichtvoetigheid kwam niet in het woordenboek van de grijze gigant voor. En het was een kwestie van smaak: ‘authentieke’ uitvoeringspraktijk was — opnames stammen uit 1971 — nog niet uitgevonden, dus Mozart, Bach en Beethoven kregen allen hetzelfde krachtvoer toegediend.

Ook in de fijnzinnige gevoelswereld van Robert Schumann blaast het orkest uit Berlijn je van de sokken. Elke noot en elke frase lijkt dezelfde hyperurgentie mee te krijgen, zodat de luisteraar na verloop van tijd hoofd- en bijzaak niet langer weet te scheiden.

De meest delicate Schumanneske gedachten gaan door dezelfde Pruisische gehaktmolen en komen er als verkapte oorlogsverklaringen uit. Bijzonder toch.

Er werd indertijd gevochten om kaartjes voor de zeldzame optredens van orkest en dirigent in het Concertgebouw, zo kan ik me herinneren. Je beseft donders goed waarom als je deze vier symfonieën beluistert. De klankkleur en intensiteit van de Berliner in het Midden-Europese repertoire is nauwelijks te weerstaan. De enorme vegen door de kopersecties lijken tot ver in het uitspansel te reiken; dikke strijkersklanken overspoelen traag onze oren.

De orkestklank is prachtig maar zo hoor je Schumann door geen enkele dirigent meer spelen. Opnames uit de museumwereld. De cd-transfer is goed. De cassette is voorzien van een dun boekje… daar is ‘die Beschränkung’ dan wél gelukt. ●●○○○

Gekocht bij Plaatboef, Nieuwe Binnenweg 81a, Rotterdam. 2 cd’s. Prijs € 5,00

Beluisterd met Yamaha A-S3000, Marantz UD-7007 (Purist Audio Design interconnects), Thorens TD160 met Denon DL110 (Van den Hul interconnects), Bowers & Wilkins 805S (Nordost Solar Wind)

Standaard
Muziek

Wandelend langs de platenkast 10

Minimal music

Edo de Waart is in het buitenland een grootheid, nog veel meer dan in eigen land. Regelmatig mogen horen dirigeren voor ons ‘eigen’ Rotterdams Philharmonisch Orkest indertijd. Toen hij eenmaal naar San Francisco vertrok kreeg zijn status pas echt internationale allure. Gelukkig wordt hij regelmatig geëngageerd in Nederland.

In 1980 bracht De Waart het enorme Variations for Winds, Strings and Keyboards in première dat Steve Reich speciaal voor het avontuurlijke orkest aan de westkust van de VS schreef. ‘Minimal music’, een muziekstroming waarvan de populariteit de laatste tijd danig is weggezakt, was helemaal hot in die tijd. Alles wat Philip Glass, Steve Reich en later John Adams toen aanraakten veranderde in goud.

De kolossale Variations bevallen op deze elpee het best. Hoe de blazers telkens, uit de pas lopend, onheilspellend commentaar leveren op de onrustige strijkersbewegingen doet sterk denken aan Bernard Hermanns filmmuziek bij Taxi Driver.

Shaker Loops voor strijkers van John Adams is ongenaakbaarder. Het is knap in elkaar gezet, tot en met de fortissimo finale aan toe, maar mijn huisgenote zet subiet haar noise reduction headphones op. Een kwestie van smaak.

De digitale opname van Reich klinkt evenwichtig. Adams lijkt hier en daar in onbalans en overstuurd. ●●●○○

Gekocht bij Snijders, Hoogstraat 137-139, Rotterdam. 1 elpee. Prijs € 1,50

Berlin

De elpee Berlin van Lou Reed uit 1973 was een commerciële flop. De recensies waren vernietigend. Hoe is het mogelijk? Bijna vijftig jaar na verschijnen wordt Berlin beschouwd als een van de beste albums aller tijden. Het kan verkeren.

Hoe dan ook, Lou Reed kon na deze miskleun een hit goed gebruiken. In de loop van 1974 kwam Rock ‘n’ Roll Animal uit, een live opgenomen schot in de roos die veel geld in het laatje bracht en zijn status opkrikte.

Een strakke backing band, met duivelskunstenaars Steven Hunter en Dick Wagner op gitaar. Hunter tekende voor het vier minuten durende Intro tot Sweet Jane. Alleen daarom al moet je dit ding in huis hebben.

Reed is goed bij stem op deze plaat en vooral het Velvet Underground-repertoire wordt stevig rockend gebracht. Het op Berlin verfijnd gearrangeerde Lady Day is hier juist een stoomwals. Rock ‘n’ Roll duurt net even te lang, maar het ongegeneerd uitsmeren van materiaal tijdens live-concerten was toen de normaalste zaak van de wereld.

De cd-transfer uit 1980 is uit de beginperiode van het digitale tijdperk. Minimale tekst op de inlay en geen bewerking van de oorspronkelijke geluidsband. Desondanks lang niet slecht.

De gitaarduetten tussen Hunter en Wagner zijn om van te smullen, met de een in het linker en de ander in het rechterkanaal. ●●●●○

Gekocht bij [onbekend] 1 cd. Prijs [onbekend]

Beluisterd met Yamaha A-S3000, Marantz UD-7007 (Purist Audio Design interconnects), Thorens TD160 met Denon DL110 (Van den Hul interconnects), Bowers & Wilkins 805S (Nordost Solar Wind)

Standaard