Zappa

Frank Zappa in 400 Words: Jazz From Hell (Official Release #47)

Het was niet de eerste keer dat Frank Zappa composities uitbracht die geheel op de computer (‘Synclavier’) waren vervaardigd: vaak een beetje verstopt tussen het ‘mensenwerk’. Jazz From Hell (#47) staat voor het eerst bol van de computermuziek: van de 34+ minuten in 8 tracks is slechts zes en een halve minuut weggelegd voor een live performance van de 1982-band. De rest komt uit een machine.

Maar die ene gitaarsolo, St Etienne, is meteen zó’n indrukwekkend meesterwerk dat hij tussen de bits en bytes van Zappa’s geliefde machine als inmiddels verrassende menselijke schakel met kop en schouders boven de rest uitsteekt. St Etienne is een onmisbare adempauze te midden van de onvermoeibare synthetica en een welkome terugkeer naar het podium: mensen van vlees en bloed spelen muziek, mensen van vlees en bloed genieten in de zaal.

47_JazzFromHell-coverZappa als arrangeur en ‘monteur’ van zijn scheppingen was onovertroffen. Over de binnenkomers van de elpees werd goed nagedacht, getuige ook de eerste compositie hier: Night School. Uit een aarzelend opgebouwde ritmische figuur bloeien dramatisch dalende akkoorden op uit een gesamplede Bösendorfer concertvleugel, begeleid door een ‘klassieke’ string-synthesizer. Ostinato wasborden, knippende vingers en klappende handen bevestigen de ritmiek. Bij 1’20 begint een uptempo solodeel van de staccato piano die alle kanten opvliegt maar veilig terugkeert in een reprise van de begindramatiek.

Night School is het hoogtepunt van de elpee. De 1988-band repeteerde een uitgeschreven versie maar voerde het stuk nooit uit. Lyrische dramatiek met een kop en een staart; weergaloos.

While You Were Art II – met 7+ minuten ook de langste compositie – is de noot voor noot gereproduceerde en in de Synclavier ingevoerde gitaarsolo While You Were Out van Shut Up ’n Play Yer Guitar (#31), met een prominente rol voor de hoketus-techniek waarop Zappa zo dol was: melodielijnen die in minieme partjes worden opgeknipt zodat de nootjes over verschillende instrumenten door het orkest buitelen. Tegelijk horen we marimba- en xylofoonfiguren die geen sterveling zou kunnen spelen maar klinken als een piece of cake.

Damp Ankles is eveneens fraai, met een basismotief dat zo uit de Uncle Meat-periode had kunnen stammen. Het aanhoudende piepgeluid, als ritmische houvast, van iemand die met een vochtige zemen lap over een motorkap lijkt te vegen, is complementair aan de in- en outtro van de track: zoon Dweezil spuit met een waterstraal zijn auto schoon.

De overgang naar St Etienne is grandioos: de laidback/mellow sfeer van de solo uit Drowning Witch (concert in St Etienne, Frankrijk, 28 mei 1982) is weldadig. Het gitaarspel is van een solist op de top van zijn muzikale kunnen, vlekkeloos gevolgd en aangemoedigd door een geconcentreerd spelende band, die hypersensitief de meest gevoelige en effectieve begeleidingsmotieven verzint.

 

Advertenties
Standaard
Zappa

Frank Zappa in 750 Words: Buffalo (Official Release #80)

Zappa zelf vergeleek de band in deze samenstelling eens met een “…kruising tussen Emerson, Lake & Palmer en The Three Stooges”. Als ik m’n best doe begrijp ik wat ie bedoelde: de gladde en virtuoze bombast van de Britse supergroep gecombineerd met de gewelddadige slapstick van de drie filmkomieken uit Zappa’s jeugd.

Buffalo (#80) is vastgelegd in het Memorial Auditorium in Buffalo, New York, op 25 oktober 1980.

Wat hier voorbijkomt in 26 songs, in 2 uur en 20 minuten onafgebroken muziek door de achtmans formatie, grenst aan het onwaarschijnlijke: het repertoire du soir tot in de vingertoppen, op elkaar ingespeeld tot op de laatste rust en zestiende noot, klaar voor elke ad hoc ingeving van de bandleider en onbevreesd voor welke acute tempowisseling dan ook.

80_Buffalo_1500Het is nét niet zo geestig als de 1970/71-bands, noch zo door en door jazzy-virtuoos als de 1973/74-bands of oorverdovend rockend als de 1975/76-band… dat niet, maar deze band verenigt het allerbeste van zijn voorgangers in zich.

Ik pik er een paar beklijvende momenten uit.

In de laatste halve minuut van Dead Girls Of London mag Steve Vai een solo spelen – het lijkt alsof een hazewindhond wordt losgelaten na een week eenzame opsluiting. Speelde ooit een ‘stuntgitarist’ méér nootjes zonder de muzikaliteit uit het oog te verliezen? In Andy – laatste reguliere nummer pal vóór de zeven toegiften – mag hij nóg eens los. Doet ie precies hetzelfde. Je weet niet wat je hoort: vuurwerk, uiterste precisie, spot-on. Dit is ‘mama, kijk eens wat ik kan!’ zonder irritatie op te wekken.

Pick Me, I’m Clean is een glinsterend voorbeeld van de manier waarop bassist Arthur Barrow en drummer Vinnie Colaiuta (toen 24 jaar!) een solerende Zappa ‘bijhouden’, volgen, aanvullen en omarmen. Muziek ‘maken’ ter plekke op meesterlijk niveau.

Het eigenwijs meanderende trompetje van Bob Harris in het eerste couplet van Pick Me, I’m Clean: dat is de subtiliteit van deze band op z’n best.

Toppunt: Easy Meat (9+ minuten) en The Torture Never Stops (23+ minuten), met een slechts twee minuten durend Ain’t Got No Heart, weliswaar in de overdrive, om het publiek op adem te laten komen.

De frenetieke body van Easy Meat is vlekkeloos, met zeer geprononceerde dynamiek in het ‘Wagneriaanse’ deel. FZ’s solo die bij 3’00 begint lijkt met opzet karakterologisch geheel buiten de orde te zijn: hij komt tonaal en ritmisch uit de lucht vallen, alsof Zappa denkt ‘tóch eens even kijken of ze dit kunnen volgen’. De jongens slagen met vlag en wimpel. Bij 6’19 begint FZ, eveneens uit het niets, drie zwaar overstuurde, dalende quasi-hardrock akkoorden te spelen à la het slot van Starship Trooper van Yes. De band neemt de figuur na een enkele aarzeling over, als een draagbaar naar het slot van de solo.

Bij 7’47 luidt óf Bob Harris óf Tommy Mars – dat kan ik niet beoordelen – de terugkeer naar de body in, via een o zo simpel maar effectief motiefje op een dalende terts. De elektrische piano lijkt op een celesta. Zo lieflijk en feeëriek tussen het geweld.

The Torture Never Stops, vaak slechts een vehikel voor een enkele gitaarsolo, bood in Buffalo een podium voor maar liefst solo’s van Zappa, Mars, Colaiuta en nóg eens Zappa. De eerste solo gaat op een ritmisch bedje dat in de verte nog een vleugje reggae verspreidt – FZ was er dol op, ik haat het! – met een hallucinant solerende Colaiuta eronder, die zonder met z’n ogen te knipperen ritmisch uitvliegt en weer thuiskomt, maat na maat, als een postduif op speed. (Qua muzikaal karakter lijkt Colaiuta op Keith Moon (‘I shall be heard!’) maar dan met onbegrensd meesterschap.)

Wat gebeurt daar bij 10’47 ineens? Terwijl Zappa’s solo in amorfe klanken is verzeild geraakt, gelijkend op zijn vroege geluidscollages uit de jaren zestig, neemt Tommy Mars het stokje over met toetsensolo’s (piano, Moog) in een vlotte, jazzy 3/8, die niet zou misstaan in een cocktaillounge in Las Vegas. Je houdt je hart vast: hoe komen die jongens dadelijk weer terug in de 4/4 van de song?!

Zover zijn we nog niet. Bij 14’31 zwijgt de band abrupt voor een maniakale drumsolo. Bij 17’30 valt een en ander stil en neemt FZ weer het woord, met razendsnelle fuzzy vingervlugheid en geleidelijke terugkeer naar de vertrouwde songbeat om bij 21’34 bij het coupletdeel van The Torture te geraken. Een tour-de-force die zelden is vertoond, zelfs in het oeuvre van FZ.

Klank van de opname is subliem: 24-sporen analoog, met hier en daar (bij tapewissel op de machine) een edit naar de 8-sporen reserve cassettetape. Die werd altijd gebruikt om FZ meteen na het concert te laten bestuderen.

Wat een feest, mensen. Kopen, luisteren!

 

Standaard
Zappa

Frank Zappa in 500 Words: FZ:OZ (Official Release #70)

FZ:OZ (#70) was de eerste ‘Vaulternative’-uitgave: de inmiddels vergevorderde serie liveconcerten, warts and all, en bijzondere opnamen uit de mythische kluizen van Frank Zappa. Vooral de opnamekwaliteit is op #70 verbluffend: de klappen uit de bassdrums voel je, mits de volumeknop de juiste stand heeft, in je onderbuik. Precies zoals het hoort. Alsof je op de eerste rij staat.

Op 20 januari 1976 speelde de Zappa-minirockband in Sydney, Australië, de sterren van de hemel. (Spreek OZ uit de cd-titel uit als ‘aussie’.) De laatste keer dat FZ met zo’n klein ensemble had getoerd was tien jaar eerder. Hoe deze band tot stand kwam, komt aan bod zodra we Joe’s Camouflage (#98) bespreken: de bedoeling was een achtmans formatie; er bleven er vijf over. Bassist Roy Estrada was ervoor uit retraite gekomen. Net zo’n bescheiden muzikantenrol als hij kreeg fonkelnieuwe toetsenspeler Andre Lewis toebedeeld. Des te meer ruimte voor zanger-saxofonist Napoleon Murphy Brock, drummer Terry Bozzio en FZ zelf.

70_FZOZ_1500Acht sporen analoog! Ongelofelijke présence en diepte in de opname.

De eerste track – compleet met elektrische spetters door stekkers die in instrumenten worden gestopt en gezoem van versterkers, heerlijk gewoon! – heeft een eenmalige titel die wat van een woordraadsel wegheeft: Hordern Intro (Incan Art Vamp). Hordern Pavillion is de concertzaal in Sydney waar dit feest zich afspeelde. ‘Incan’ slaat op de twee-akkoorden vamp uit Inca Roads waaruit dit opwarmertje bestaat en ‘Art’ refereert aan Naval Aviation In Art? in de versie van Orchestral Favorites (#27) die voor aanvang van de concertserie werd afgedraaid.

Jammer, maar de producers (lees: oudste zoon Dweezil Zappa) hebben hier – tevens in enkele herhalingen aan het slot – het lyrische thema uit Inca Roads weggeknipt, terwijl de band het wél speelde. Waarom? Dat zou ik wel eens willen weten. Vaak is de 74-minuten grens van een cd de schuldige. Erg spijtig. De overgang naar de (quasi-formeel) gesproken introductie van de bandleden door FZ heb ik inderdaad altijd verwarrend abrupt gevonden.

Hoe ik zeker weet dat erin geknipt is? Zappa-fanatici als Charles Ulrich kunnen elke uitgebrachte snipper muziek fileren en herleiden naar datum, plaats van handeling en bandbezetting. Sinds kort kan ik gelukkig teruggrijpen op zijn 800 pagina’s tellende The Big Note als ik wil weten wat, wie, wanneer en waar. Een goudmijn.

Terug naar #70. Een staalkaart van wat deze band vermocht, in 26 tracks. Strak gespeeld, uitentreuren gerepeteerd, geen foutje te bekennen… Alles in een rock-textuur die we nooit eerder hadden gehoord. Golden oldies als How Could I Be Such A Fool?, I Ain’t Got No Heart, I’m Not Satisfied van Freak Out! (#1) en Lonely Little Girl, Take Your Clothes Off When You Dance, What’s The Ugliest Part Of Your Body? van We’re Only In It For the Money (#3) ondergaan alle dezelfde meedogenloze no-nonsense aanpak. Je moet ervan houden! Ik zeker.

Nieuw materiaal als Black Napkins, Wind Up Workin’ In A Gas Station, The Torture Never Stops kwam pas negen maanden later uit op Zoot Allures (#22). In Chunga’s Revenge zit een solo van Terry Bozzio, die van de drie officieel uitgebrachte solo’s (Hands With A Hammer op YCDTOSA, Vol. 3 (#54) en Terry Firma op Hammersmith Odeon (#89)) gek genoeg de ‘slordigste’ is en minst geïnspireerde.

Witte raven zijn de songs Canard Toujours en Kaiser Rolls die nooit op een officiële uitgave terecht kwamen. Ik ben er overigens van overtuigd dat Kaiser Rolls een muzikaal schema hanteert dat losjes is gebaseerd op Daddy, Daddy, Daddy uit 200 Motels (#13) – en dat vermeldt Charles Ulrich dan weer niet.

Maar ik waag het verder niet zijn autoriteit aan te tasten.

Standaard
Zappa

Frank Zappa in 600 Words: Weasels Ripped My Flesh (Official Release #10)

Weasels Ripped My Flesh (#10) verscheen op een moment dat Zappa al lang en breed een andere muzikale koers had ingeslagen, met een nieuwe band. Iedereen ontslagen (op Ian Underwood na) en vijf verse krachten ingehuurd.

En kijk eens aan: daar stond ineens #10 in de bak! Maar wie dacht dat het kliekjesdag was, met opgewarmd restmateriaal dat toch maar op de plank lag, vergiste zich. Ja, van de bovenste plank dan toch!

10_WRMF_coverHet stempel ‘verzamelelpee’ was deels Zappa’s eigen schuld. Met enig aplomb liet hij op de hoes noteren: Material contained herein represents different aspects of our work from 1967-1969. De elpee was kennelijk bedoeld als accolade of afsluiting na de eerste periode met de oer-Mothers. Nou ja.

Didja Get Any Onya? – een van Zappa’s meer suggestieve titels – valt met de deur in huis. Een opzwepende trompetsolo in 7/8 gaat via vocale nonsensklanken en ritmische veranderingen over in onder meer een altsaxsolo en Lowell George’s herinneringen, in Engels met een zwaar Duits accent. Wat kon Zappa toch effectief openingstracks kiezen! Mooi is het tapijt van blazersharmonieën die zich maar langzaam ontwikkelen en als houvast dienen voor de diverse improvisaties. Een procedé dat Zappa vele malen zou toepassen, van Charles Ives tot Naval Aviation in Art?

De titel van Prelude To The Afternoon Of A Sexually Aroused Gas Mask – zie voor herkomst Ahead of Our Time (#63) – is weliswaar een satirische verwijzing naar Debussy’s Prélude à l’àprès-midi d’un faun maar maakt in de elektrische piano juist uitgebreid gebruik van een suikerzoet thema uit Tsjaikowsky’s Zesde Symfonie. Het hysterische gegil, gehuil, gelach van Estrada was diens handelsmerk: je blijft erom grinniken, althans ik wel.

Toads Of The Short Forest vormt ’n melodieus contrast uit de studio, zo’n lekkere dansant nummer in 3/4, dat verrassend overgaat in een onnavolgbaar polyritmisch live-deel. Get A Little – het slot van ‘kant 1’ – is een rustig voortkabbelende gitaarsolo met veel wah-wah, boven de typische, in octaven pulserende bas van Roy Estrada. Muzikaal en melodisch inventief gespeeld en een van Zappa’s tijdloze prestaties.

The Eric Dolphy Memorial Barbecue vangt aan met ’n even onverwoestbare melodie in 3/4 waar Zappa patent op had, maar die hij al snel terzijde werpt voor aleatorische improvisaties. Bij circa minuut 3 overigens weer een wonderschoon, syncopisch complex uitgeschreven deel voor de blazers dat weer even snel en fascinerend in de mist van improvisaties verdwijnt.

Dwarf Nebula Processional March & Dwarf Nebula lijkt wat betreft lieflijkheid op Toads Of The Short Forest maar ‘ontaardt’ in klankcollages die vanonder de snijtafel van We’re Only In It For the Money (#3) lijken te komen.

My Guitar Wants To Kill Your Mama, Zappa’s wanhopige poging in die periode om met een single in de hitlijsten terecht te komen, is een echte popsong maar heeft gelukkig zijn middendeel behouden met als siervuurwerk uiteenspattende melodielijnen en vervormde klanken uit de blazerssectie.

Oh No en The Orange County Lumber Truck zijn tracks waar je nooit genoeg van kunt krijgen. De melodie van Oh No is prominent aanwezig als instrumentale rode draad op Lumpy Gravy (#4) maar krijgt hier zijn vocale versie, verbluffend gezongen door Ray Collins. Uit het instrumentale The Orange County Lumber Truck blijkt dat Zappa in hart en nieren een songwriter was, naast zijn voorliefde voor muzikale hutspot, omgekeerd afgedraaide stemmetjes en geluidscollages. Wat een melodie en wat een briljante gitaarsolo!

Eén schaduwzijde waardoor de elpee nét het predicaat ‘volmaakt’ misloopt. Zappa’s achilleshiel voor de bluesy en doo-wop liefdes- en/of jammerklachtsongs uit de Amerikaanse jongerencultuur van de late 50s deel ik nauwelijks, zeker niet met de immer aanwezige knipoog van het dikke hout waar men planken van zaagt. Toegegeven, trouw als hij was, heeft hij de muzikale niemendalletjes heel zijn leven op het repertoire gehouden. Directly From My Heart To You van Richard Penniman is er (weer) zo een. Alleen de vioolsolo van Bob ‘Sugarcane’ Harris maakt de uitvoering de moeite waard.

De titelsong Weasels Ripped My Flesh als sluitstuk van de elpee is een van Zappa’s meest gedurfde prestaties: een meer dan twee minuten durende track, bestaande uit één oorverdovend triple-f akkoord dat op orkaankracht de zaal in wordt geslingerd. Weten we nu waar Glenn Branca inspiratie vandaan haalde voor zijn elektrisch overstuurde symfonieën? Juist.

Een groots werk, inclusief het ontregelende hoesontwerp. Jammer dat het na 40+ minuten alweer voorbij is.

Standaard
Zappa

Frank Zappa in 400 Words: Road Tapes, Venue #3 (Official Release #103)

In de serie Vaulternative Records brengen de Erven Zappa complete liveconcerten uit, opgediept uit de mythische kluis (‘vault’) waarin Zappa al zijn opnametapes bewaarde. Binnen die serie is weer sprake van de sub-serie Road Tapes. Inmiddels is men tot nummer 3 gekomen: een concert van The Mothers of Invention in de ‘Turtles’-formatie.  

Omdat Road Tapes, Venue #3 (#103) alweer meer dan twee jaar oud is, zou het me niet verbazen als het hierbij bleef. En dat zou jammer zijn want de uitgave is, net als zijn twee voorgangers trouwens, bovenmatig interessant.

103_RoadTapes3_1500pxHet gaat hier, zoals vaker het geval in de VS, om twee optredens op één dag: early show en late show. Bij elkaar bijna 2,5 uur muziek maar liefst. ’The Venue’ in dit geval is het Tyrone Guthrie Theater in Minneapolis. Bijzonder? Tot nu toe nog niet.

Maar dan de datum: 5 juli 1970! De Zappateer spitst op zo’n moment zijn oortjes.

Want dit is een van de eerste shows van een nieuwe band ná het verscheiden van de oorspronkelijke Mothers of Invention eind 1969 die pas in de vierde week van zijn tournee was. De embryonale vaudeville-band derhalve – met op Ian Underwood (sax, toetsen) na allemaal verse krachten – die het afgezien van een enkele wijziging tot december 1971 zou uithouden.

Wat meteen opvalt is dit: vrijwel het volledig repertoire is ‘oud’, op Wonderful Wino, Sharleena en Chunga’s Revenge (hier nog: The Clap) na. De speciaal geschreven songs met in Zappa’s achterhoofd de falset-stemmetjes van ex-Turtles Mark Volman en Howard Kaylan en hun ongebreidelde improvisatietalent moesten nog volgen.

Ook opvallend is hoe gedisciplineerd de songs te berde worden gebracht, zonder de latere ad libs en variaties. De teksten zaten echter nog niet onwrikbaar vast in het geheugen getuige de diverse slippertjes.

Het ís onmiskenbaar live want wat zingen ze vals hier en daar; het gaat soms door merg en been. Maar ere wie ere toekomt: Mom & Dad en Concentration Moon worden wél loepzuiver gezongen.

De eerste show begint met een ‘nette’ versie van King Kong waarna een rits nummers uit de periode 1966-1969 volgt, inventief afgesloten door een uitgebreide reprise van King Kong (meer dan 20 minuten) met de traditionele ruimte voor solo’s. En daarin herkennen we ineens de Nancy & Mary Music, Pts. 1-3 van Chunga’s Revenge (#11) uit 1970! Circa 9 minuten duren die Nancy & Mary Music maar Zappa heeft de fragmenten uit de King Kong-solo’s uitermate kunstig gedestilleerd, dooreen gehusseld en aan elkaar gesneden, nota bene aangevuld met solostukjes Chunga’s Revenge uit de tweede show. Onvoorstelbaar knap gedaan. En wat een eye-opener voor mij: 46 jaar na het verschijnen van #11 blijken Nancy and Mary kinderen van een reusachtige gorilla.

De avondshow bevat grote stukken Little House I Used to Live In van Burnt Weeny Sandwich (#9) maar hier onder de paraplutitel The Return Of The Hunchback Duke. Chunga’s Revenge is het vehikel voor uitgebreide solo’s aan het slot, met tussendoor wederom een keur aan materiaal uit het decennium ervoor.

Wat in zijn algemeenheid uit de (soms gebrekkig klinkende) tapes weerklinkt is het enorme speelplezier van deze frisse band, die klaar stond om de wereld te veroveren. Als in een opwelling zet Zappa het half gesproken It Can’t Happen Here van #1 in met de toepasselijke frase ‘…freak out in Minnesota’ dat op luide instemming van het ‘thuispubliek’ kan rekenen.

Zappa geniet met volle teugen en duldt de ‘grote monden’ van Volman en Kaylan als zijn gelijken. De lol spat uit de speakers. Een cruciale uitgave wederom.

Standaard
Zappa

Frank Zappa in 750 Words: Absolutely Free (Official Release #2)

Als Freak Out! (#1) bij mij insloeg als een bom, dan Absolutely Free (#2) toch zeker als een lange reeks granaatinslagen. Een tijdloos kunstwerk, ook na meer dan een halve eeuw. Zonder overdrijving een meesterproef.

Twee plaatkanten lang, bij elkaar nog geen 39 minuten, worden we getrakteerd op één onafgebroken stortvloed aan muzikale ideeën, ideologische oorvijgen en sardonische maatschappijkritiek.

02_ABSOLUTELYFREE_coverVoor het eerst gebruikt Zappa op #2 de techniek waarbij alle tracks naadloos aan elkaar gelast zijn: de ene song is nog niet klaar of de volgende begint al. Het geeft de elpee een doorgecomponeerd sausje, een geweldige ontwikkeling na Freak Out! (#1).

Met Plastic People opent ‘kant 1’. Dertig seconden later zijn al voorbijgekomen: een halfhartige openingsroffel op de snaredrum, waarmee normaliter zoiets als The Star-Spangled Banner begint; een lamlendige spreker die de President van de VS aankondigt en een laf stemmetje dat diezelfde Mr President imiteert (‘My fellow Americans…’). Dan een quasi amateuristische (en dissonante) verwijzing naar het archetypische dansnummer zonder ruggengraat uit die tijd, Louie Louie, terwijl de spreker vermoedt dat de president zich niet helemaal lekker voelt en waarschijnlijk door zijn vrouw een kopje kippensoep aangereikt krijgt… gevolgd door een krachtig, fanfare-achtig statement in de band dat in één generaliserende armzwaai korte metten maakt met alle ‘personen van plastic’: o, ze zijn zo saai…

(‘Plastic People’ zijn laffe burgers, middle-class ellendelingen, onecht, kunstmatig, gekneveld in hun abjecte, zelfopgelegde moraal. Dit is ongeveer de definitie van Zappa, toen hij 26 jaar was – een levensvisie waarvan hij nooit is afgeweken. Fascinerend.)

En dat allemaal binnen een halve minuut! De rest van de elpee kent nauwelijks meer rustpunten; je bevindt je in een muzikale rollercoaster.

Na het iconoclastische openingscredo van Plastic People volgt een Zappiaanse muzikale tegenstelling, zo’n ontregelende mood swing zoals er nog vele zouden volgen. Het intro van The Duke Of Prunes zet immers in met een kabbelende beweging vol verwachtingsvolle harmonieën, voor gitaar, bas en piano. Zanger Ray Collins, ondersteund door houtblazers, vult er zo’n ontroerende, welluidende melodie aan toe, dat je je erover kunt verbazen dat het uit een en dezelfde pen is gerold. De hartverscheurende tune wordt uptempo in 4/4 herhaald, geaccentueerd door een vervormde slaggitaar waarop alleen Dave Davies patent leek te hebben. Door het verstorende en schampere commentaar van andere zangers blijkt dat we ons niet moeten laten verblinden door de lieflijkheid van de compositie.

The Duke Of Prunes gaat naadloos over in Amnesia Vivace, waarin bij 0’06 het eerste volstandige Stravinsky-citaat te horen is, uit het tweede tableau van Le Sacre du Printemps. Bij 0’17 nemen de sax van Bunk Gardner en zanger Ray Collins bij toerbeurt de openingssolo van de fagot uit Le Sacre op de hak: Collins zingt met overdreven galm alsof hij onder een te koude douche staat. The Duke Regains His Chops is de reprise van The Duke met een even onzinnige tekst.

De coda is hilarisch: Zappa kondigt zelf aan dat nu ‘the exciting part’ eraan komt. Net als aan het slot van een soulnummer van The Supremes, zo becommentarieert Zappa, horen we het dramatisch herhaalde ‘baby, baby, baby…’ (Let trouwens op het effectieve contrapunt rond ‘My prune is yours, my love’ in de basgitaar van Roy Estrada.)

Van de relatie met pruimen dendert het verhaal voort naar alles wat groeit en eetbaar is: Call Any Vegetable – Zappa deelt zelf halverwege droogkomisch mee dat een pruim in feite geen groente is, maar een kool weer wel.

Invocation And Ritual Dance Of The Young Pumpkin, een knipoog naar Le Sacre du Printemps, zet de schijnwerper juist op het hoofdthema uit Jupiter, een van de planeten uit de gelijknamige suite van Gustav Holst. In de Soft-Sell Conclusion weer een citaat van Stravinsky: de mars uit L’histoire du soldat. (Er wordt overdreven uitgehijgd na de mars…)

America Drinks en America Drinks & Goes Home zijn samen het begin en het slot van ‘kant 2’. Ray Collins in de rol van crooner in een ritmisch verwarrend duet met de piano, een metronomisch onverstoorbare hi-hat negerend. Diezelfde melodie komt aan het slot glorieus terug, maar nu in een nachtclubscène, die ontaardt in een pandemonium van over elkaar buitelend publiek en brekend glaswerk. Daartussenin in feite de eerste ‘normale’ popsongs op de elpee: Status Back Baby, een smalende Zappa over high-school probleempjes (maar wél met een flink stuk Petroesjka van Stravinsky), Uncle Bernie’s Farm, waarin effectieve manieren langskomen om de laffe, plastic generatie vóór ons een kopje kleiner te maken en Son Of Suzy Creamcheese, een vrolijke uptempo knipoog naar het vroege Beatles-idioom, compleet met het obligate ‘yeah, yeah, yeah’…

In het caleidoscopische Brown Shoes Don’t Make It laat Zappa geen spaan heel van het mannelijk burgerdom in al die Amerikaanse kantoren en hun geheime, perverse dromen, terwijl ‘his wife’s attending an orchid show’. De track bestaat uit talloze verschillende muzikale thema’s en vignetjes, allerlei scènes en stijlen die over elkaar heen buitelen, van barbershop tot orkestraal geweld, van nachtclubscène tot geluidscollage… In Brown Shoes Don’t Make It geeft Zappa een onvergetelijk visitekaartje af van waar hij toe in staat was. Een unicum in de popmuziek, tot dien.

Standaard
Zappa

Frank Zappa in 400 Words: Tinseltown Rebellion (Official Release #30)

Tinseltown Rebellion (#30) is een aantrekkelijke dubbelelpee (single cd), met voornamelijk live-opnames van een geoliede touring band. Eén touring band? Nou, er zijn er meerdere te horen hier, naadloos aan elkaar geplakt door de meester met het scheermesje aan de montagetafel.

Een kleurrijke mix van de (beetje kinderachtige) ongein waarin Zappa destijds grossierde én muzikale tovenarij en instrumentbeheersing. In Panty Rap verzamelt hij lingerie van vrouwelijke concertbezoekers: het was de bedoeling dat fans elke avond bh’s en slips op het toneel wierpen waarvan een kunstenares uiteindelijk een enorme sprei zou maken. Eenzelfde preoccupatie met gedragen ondergoed treffen we in The Madison Panty-Sniffing Festival (#59) en The Jazz Discharge Party Hats op The Man From Utopia (#36). Allemaal satire, moeten we geloven. Het zal best, maar een beetje gênant blijft het wel.

30_TINSELTOWN-REBELLION_cover5x5Dance Contest is net zo gedateerd: Zappa’s eigen manier om de band op adem te laten komen terwijl hij al grappend de deelnemers aan een danswedstrijd uit het publiek selecteert. We hebben het eerder gehoord.

Tegelijkertijd bruist de plaat gelukkig van de muzikale magie. Luister eens naar het out-chorus van Fine Girl, de openingstrack: het telkens gestapelde ‘…we need some more like that’ is een fraai staaltje meerstemmig componeren. Dat kon in de studio makkelijker dan live, maar punt blijft dat het harmonisch klopt als een bus en een vrolijk effect sorteert.

De track zit vastgeplakt aan een enerverende uitvoering van Easy Meat, hier in zijn uitgebreide vorm, mét het dynamische ‘Wagneriaanse’ middendeel. Halverwege Easy Meat is ruimte voor de obligate gitaarsolo en gaat de studioversie (met David Logeman op drums) over in een live-versie met Vinnie Colaiuta. Dan gebeurt er ineens wat! Je zit meteen rechtop: hoe de man achter de kit tempo en signatuur van de solo bepaalt en dan weer de solist volgt is subliem.

Love Of My Life, I Ain’t Got No Heart en Tell Me You Love Me zijn ‘cheesy’ lovesongs waarop Zappa patent leek te hebben: meer dan tien jaar oud inmiddels, maar tijdloos, zo blijkt uit het lekkere up-tempo arrangement.

Now You See It – Now You Don’t is een markante solo in Zappa’s favoriete reggae-ritme, uit King Kong getild, waarvan we in de fade-out in de piano nog een flard van het hoofdthema horen.

The Blue Light en Tinsel Town Rebellion (hier als drie woorden) drijven de spot met de leeghoofdige disco-scene uit die tijd. Over de tekst van Pick Me, I’m Clean hebben we het maar niet: de titel zegt genoeg. De gitaarsolo daarentegen is met zijn dramatische openingseffect een van de beklijvende uit het repertoire.

Brown Shoes Don’t Make It – jeugdige rebellie tegen het burgerdom, uit 1967 – staat nog als een huis in het arrangement voor deze band van virtuozen. Een lust voor het oor. Aan het slot van Peaches III, een wervelende versie van Peaches en Regalia, toont gitarist Warren Cuccurullo zijn meesterschap door vlekkeloze imitaties van Al DiMeola en Alvin Lee te berde te brengen. Hij schudt het zo uit zijn mouw.

Op de oorspronkelijke cd-versie was het applaus verdwenen en waren pauzes ingelast tussen de nummers. Erg jammer. Dat is inmiddels hersteld. Het is weer één muzikale waterval.

Standaard